1363

Nimrod

Soemer (3500-2900 v. Chr.)

Nimrod
wordt in het Oude Testament (Genesis 10:8-12) genoemd als stichter van verschillende Soemerische steden. Hij wordt "een geweldig jager voor de Heer" ("de grote Babylonische jager"), genoemd, wat zou kunnen worden uitgelegd als "een tiranniek heerser over zijn volk". De toevoeging "voor de Heer" zou erop wijzen dat het geen beesten waren waar hij op jaagde, maar mensen. Na zijn jacht op hen, zou hij hen tot zijn slaven hebben gemaakt en over hen hebben geheerst als een tiran. En dit alles als tegenstander van de Heer. Maar er is nog een andere uitleg: Nimrod zou een luipaard hebben getemd, om hem te vergezellen op de jacht. Het Babylonische woord "nimr" betekent "luipaard" en "rod" betekent "onderwerpen". Nimrod zou omstreeks 3500 v. Chr. geleefd en aldus de Bijbel in het begin alleen hebben geheerst over de  stadsstaten Babel, Akkad en Erech (=Uruk) in het land Shinar. Nimrod was volgens de Bijbel een afstammeling van Noach, diens zoon Cham en de zesde zoon van Cush. De naam Nimrod komt mogelijk van het Hebreeuwse woord "nimrodt" dat vertaald kan worden als "Laat ons in opstand komen". In Mesopotamië is zijn naam in een aantal plaatsnamen bewaard gebleven, zoals in Birs Nimrud = Borsippa). 

De Nimrod uit het Oude Testament zou echter heel goed overeen kunnen komen met koning Etana, van Kish (2844 tot 2816), die zeven Soemerische steden veroverde en het grote eerste rijk stichtte sinds de grote overstroming ("zondvloed"). Nimrod / Etana veroverde het gebied aan de bovenloop van de Tigris (Assur, Calah (Kalkhu), Calneh (Calno), Sumer en Ubaid) en stichtte de steden Nin'eveh (Niniveh), Reho'both-Ir, Calah en Resen (Khalsu). Nin-neveh betekent "de woonplaats van Ninus" (Ninus = Nimrod). 

Volgens Claus Fetz Krogh was Nimrod dezelfde man als Sargon l (2334-2279), de koning van de Akkadiërs, die in of omstreeks 2334 de stad Umma veroverde en de Soemerische koning Lagal Zaggesi (Lugalzaggisi) (2363-2335) van de troon stootte, alle steden in Soemer en Akkad veroverde en in korte tijd heerser werd over het eerste grote rijk uit de geschiedenis. Zijn heerschappij strekte zich ca. 2350 v. Chr. uit over het hele gebied tussen de Zwarte Zee en Klein-Azië tot aan de Perzische Golf. Cush was niet zijn vader, maar het land Cush, het land van de Kassieten, waar hij (Nimrod / Sargon) vandaan kwam. Krogh lokaliseert dit land op het zuiden van het Arabische schiereiland, het tegenwoordige land Jemen. Deze Kassieten zouden een halve eeuw later het land van de twee rivieren (Mesopotamië) zijn binnengetrokken. 

Hij gaf opdracht voor de bouw van een aantal grote bouwwerken, waaronder de beroemde Toren van Babel bij de tempel van Mardoek. Deze beroemde trapvormige tempeltoren (zigurrat) was, zoals wij uit uitvoerige beschrijvingen op teruggevonden spijkerschrifttabletten weten, 91 meter hoog, met als basis 1600 m². Vele Babylonische koningen na Nimrod hebben eraan gebouwd en herhaaldelijk lezen wij in hun inscripties dat de top tot aan de hemel zou reiken. 

Zuid-Mesopotamië (2900 - 2800 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 05-08-08

colofon