1356 |
Een fantastische verklaring voor de herkomst van de Soemeriërs |
![]() |
Een fantastische hypothese omtrent de herkomst van de Soemeriërs en van de gehele mensheid wordt beschreven door Dr.Joh. van Buttlar (1991/1992) op de website De Tiende Planeet. Een leuke theorie, die ik u niet wil onthouden, omdat deze theorie tal van puzzelstukjes in elkaar laat vallen en je vele zaken door een andere bril laat kijken.
Volgens hun eigen bronnen waren het de Annunaki geweest, die de grondslag voor hun cultuur hadden gelegd, hun steden hadden gebouwd en hen ingewijd hadden in de 'geheimen van de hemel'. De naam Annunaki betekent letterlijk zij die uit de hemel naar de Aarde zijn gekomen. Hun eerste nederzetting was Eridu (verafgebouwd huis). Hun leider heette aanvankelijk Ea en daarna Enki. Het lijkt waarschijnlijk dat Eridu de Aarde haar naam heeft geleverd (Engels 'earth', Duits 'Erde', Aramees 'Ereds', Hebreeuws 'Eretz'. Ook de Erythreïsche Zee (naam van de Perzische Golf in de oudheid) is naar Eridu vernoemd. Enki noemde het land Edin (huis der rechtvaardigen); het was de tuin van Eden, de woonplaats van de goden. De eerste groep Annunaki bestond uit vijftig personen, de tweede uit zeshonderd. Planmatig koloniseerden zij het land. De 'vogelstad' Sippar diende hun als ruimtevaartcentrum. BAD.TIBIRA (de lichte plaats) was het industriecentrum waar de ertsen verwerkt werden. LA.RA.AK werd het oriëntatiepunt voor aanzwevende ruimteschepen, SCH.RUPPAK werd hun centrum van medische zorg. Tot vaste commandant van de missie Aarde werd Enlil benoemd. Hij stichtte het controlecentrum NIBRU.KI (het latere Nippur). Zijn ziggurat droeg op de top een DIR.GA (donkere gloeiende kamer), waar de sterrenkaarten werden bewaard. Voor het verrichten van de zware arbeid schiepen de Annunaki de 'Lulu', de voorloper van de mens als prehistorisch reageerbuiskind. Volgens de Soemerische teksten kwamen de Annunaki (Niburianen) van Niburu (de planeet die aan de hemel glanst en de middenpositie inneemt). Deze planeet wordt vermeld tussen Mars en Jupiter. Een andere naam die ook wel werd gegeven was 'Tiamat'. |
Volgens de Koran lag het paradijs op een andere planeet. In de zevende soera heet 'Al-Araf' (De Tussenmuur). Daarin staat dat Allah Adam naar Aarde verbande. Een Arabische legende verhaalt dat de Hadsjar al Aswad, de in de zuidoostelijke hoek van de Ka'aba in Mekka ingemetselde 'Zwarte steen' in oeroude tijd samen met Adam op aarde gevallen is. Dit kan een meteoriet zijn of een zogenaamde 'fluistersteen' of NABAR (Volgens de Soemeriërs gebruikt door de Annunaki voor het doorgeven van berichten overal op aarde en naar de hemel). In de mythen en legenden van de volkeren op de hele aarde worden tal van aanwijzingen voor de niet-aardse oorsprong van de mens gegeven. Volgens het zeer oude in het Sanskriet geschreven boek de 'Dzyan' vroeg de Aarde aan de 'Heer van het stralend Aangezicht' om zonen om de Aarde te bevolken. Volgens dit boek was de eerste generatie mensen 'de zonen van de Yoga', de tweede het ras der geslachtslozen en het derde, de mensen met beenderen. Deze laatste vermengden zich met de zonen van de nacht (van het heelal) en bracht zo het vierde ras voort. Volgens de Bijbel begonnen de mensen op aarde zich te vermenigvuldigen en vermengden zich met de zonen van de goden ('bere elohim'). Hieruit werden de Nefilim geboren, door Maarten Luther vertaald met 'reuzen', de mannen van naam (s(j)em). Het Semitische woord s(j)em heeft echter twee betekenissen. Als 'sju-mu' kan het 'datgene waardoor men in herinnering blijft', een gedenksteen of stèle, maar ook 'datgene wat een mu is', waarbij mu kan duiden op een vliegmachine van de goden. De 'mu' is een voorloper van de obelisk en de triomfzuil. Indien 'mu' wordt vertaald met raket dan wordt de volgende Soemerische hymne duidelijk: 'Heerseres des hemels (d.i. Isjtar/Inanna), Zij trekt het hemelgewaad aan, stijgt stoutmoedig hemelwaarts; over alle bevolkte landen vliegt zij in haar MU. Heerseres, gij die in uw MU verblijd omhoogwerkt naar de hemelse hoogten, boven al de rustende plaatsen vliegt zij in haar MU.' De Soemerische rolzegels vertonen langs de hemel voortglijdende, raketvormige objecten. Waren wellicht deze Nefilim, het volk met de raketten, prehistorische bezoekers uit de ruimte? Een volk dat raketten gebruikte kan niet uit de diepte van het heelal naar de Aarde gekomen zijn. Het was derhalve geen technische superbeschaving, maar een buitenaardse die uit het zonnestelsel stamde. Het woord Nefilim is afgeleid van het Semitisch NFL (omlaaggeworpen zijn), wat dus duidt op 'die op de aarde zijn afgeworpen. Kennelijk waren de Nefilim en de Annunaki identiek. Zoals uit het Boek (van de) Dzyan blijkt was de Aarde voor de afdaling van de 'zonen der wijsheid; door een kosmische ramp verwoest. Uit verschillende evolutietakken begon zich homonide leven te ontwikkelen. Volgens de occulte joodse traditie, de Kabbala, bestonden er twee Adams - de 'hemelse Adam', die naar de aarde afdaalde en de 'aardse Adam', de diermens, die zich op aarde heeft ontwikkeld. In het Gilgamesj-epos wordt zo'n diermens (wellicht een Neanderthaler?) beschreven. Hij heet 'Enkidu': 'die in de steppe geboren werd': 'Dicht behaard is zijn hele lichaam, toegerust met hoofdharen als een vrouw, hij kent gezin noch thuisland; voedt zich, met de gazellen, met gras; met de wilde dieren worstelt hij aan de drinkplaatsen; in de wemelende schepselen in het water verheugt zich zijn hart.' Volgens de Soemeriërs werd de mens geschapen als slaaf van de goden. De ondergoden van de Annunaki waren in verzet gekomen omdat de inspanning te groot was en het werk te zwaar. de Bijbel noemt de aanvoerder van de 'gevallen engelen' Lucifer. Enlil wil hem laten terechtstellen, maar Anu en diens zoon Enki hebben een beter plan: een 'Lulu' moet gecreëerd worden, een 'lagere primitief', de mens. Het voorstel wordt door de Annunaki toegejuicht: 'Zij riepen tot de godin, de vroedvrouw der goden, ze vroegen de wijze Mammi: 'Gij, godin van de geboorte, schep arbeiders! Schep een simpele werker, die het juk moet dragen! Laat de werker het juk van de goden dragen!' Mammi creëerde de mens uit leem respectievelijk uit TI.IT. Deze Afrikaanse goudmijnen lagen in Zuid-Zimbabwe (Monotopa), waar volgens oude Zoeloe-legenden - 'slaven gewerkt hebben die door het eerste Volk kunstmatig van vlees en bloed geschapen waren. Deze slaven vochten tegen de aapmensen toen de grote ster aan de hemel verscheen.' De meeste geleerden zijn het erover eens dat de mens inderdaad 'boven Abzu' ontstond, in Tanzania en Kenya. De Neanderthaler verscheen pas na de komst van de Homo Sapiens en is dus noch voorloper van de 'Cro-Magnon-mens', noch van de Homo Sapiens, de tegenwoordige mens. Volgens Het Gilgamesj-epos moeten Homo Sapiens en Neanderthaler ooit tijdgenoten zijn geweest. Indien het ei van een primaatvrouwtje met het sperma en de genen van een Annunaki-god bevrucht en daarna bij een Annunaki-vrouw geïmplanteerd en door haar voldragen zijn, zou de mythe van de twee Adams te verklaren zijn: de 'aardse Adam' was het product van deze verbintenis - gelijk de mythische Gilgamesj - 'twee derde godheid, één derde mens'. De 'hemelse Adam' echter is zijn vader: Enki. Een astronaut van Nibiru, de planeet die wij Phaëton noemen. Volgens de Babylonische geschiedschrijver Berossus was het begin van de 'heerschappij van de goden' over tweestromenland 432.000 jaar voor de grote vloed, ongeveer 442.000 v.C. De Soemerische koninlijst zegt: 'Toen het koningschap uit de hemel kwam, was Eridu het eerste koninkrijk, A.LU.LIM werd koning in eridu, hij heerste 28.800 jaar. A.LAL.GAR heerste 36.000 jaar, Deze twee koningen heersten 64.800 jaar Eridu's koningschap werd op Bad Tibira overgedragen EN.MEN.LU.AN.NA heerste in Bad Tibiria 43.200 jaar EN.NEN.GAL.AN.NA heerste 28.000 jaar Drie koningen heersten 108.000 jaar... Acht koningen heersten 241.200 jaar. Toen kwam de vloed.' Dat zijn 414.000 jaar 'voor de vloed'. Gedurende 144.000 jaar of 40 'sjars', periodes van elk 3600 jaar. na de 'afdaling; naar de Aarde, 'duldden' de Annunaki ' de zware arbeid' op aarde eer ze in opstand kwamen. Als de Annunaki respectievelijk rond 442.000 en 426.000 v.C. op aarde kwamen dan moet hun opstand en daarmee de schepping van de mens ca. 300.000 à 280.000 jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit komt overeen met het tijdstip dat de Homo Sapiens ontstond. Enki wilde uit de 'Lulu' een intelligente en zelfstandige aardbevolking scheppen, terwijl het Enlil om heerschappij over de Aarde te doen was. Misschien wilde hij daar ooit de bevolking van de planeet Nibiru vestigen. Volgens de fragmentarische 'Geschiedenis van Adapa' ontwikkelde Enki de mens met behulp van zijn eigen zaad verder tot een nieuwe modelmens, die hij Adapa noemde: 'Met groot inzicht vervolmaakte hij hem, wijsheid (had hi hem geschonken) (...) Hem had hij kennis gegeven, eeuwig leven had hij hem niet gegeven.' Enlil raakte buiten zichzelf van woede toen hij van Enki's experiment vernam. Hij eiste onmiddellijke vernietiging van die 'denkende mens'. Echter Anu had het laatste woord en Enlil moest zich schikken. Niettemin verdreef hij de mensen uit zijn machtsgebied, de tuin van Edin. De mens was nu zelfstandig geworden en stond op het punt zich te gaan civiliseren. Adam en Eva verwekten nakomelingen. De Bijbel maakt gewag van tien generaties voor de zondvloed. Het was de periode waarin de 'zonen Gods', het volk van de s(j)em, met de dochters van de mensen verkeerden, de tijd van aanwezigheid van de goden op aarde. Daar kwam abrupt een einde aan toen 'de hemelen geschokt' werden, toen de 'planeet van de goden', Nibiru-Phaëton, explodeerde. ZIU.SUDRA (in het Akkadisch Uta-Napisjtim genaamd) - koning van Sjurripak - belichaamde de Soemerische Noach. De Soemerische goden waren van het dreigende onheil op de hoogte. Enlil wilde de mensheid aan de catastrofe overleveren omdat hun snelle vermenigvuldiging hem tegen de borst stuitte. Maar Enki spande zich voor hun redding in. Hij haalde Enlil over een 'Sulili' te bouwen, een rondom met teer dichtgemaakt, overdekt schip. Enki gaf Uta-Napisjtim opdracht het zaad 'van al wat leeft' aan boord te brengen. Toen kwam de ramp: 'De maan verdween (...) Het uiterlijk van het weer veranderde. De regen bulderde in de wolken (...) De winden werden wild (...) De zondvloed barstte los.' Evenals Noach belandde Uta-Napisjtim tenslotte op de berg Ararat. De Annunaki hadden de aarde tijdens de catastrofe verlaten en bevonden zich nu in een baan om de aarde: 'De grote Annunaki, die het lot bepaalt beraadslaagde met hen over het land. Zij die de vier gebieden geschapen hadden, de nederzettingen gevestigd hadden en het land overzagen, zij waren te hoog boven voor het mensgelacht.'De Annunaki besloten tussen zichzelf en de mensen koningen en priesters als intermediairs in te schakelen. 'het koningschap daalde af vanuit de hemel' en gaf de mensen opdracht allereerst de door de zondvloed verwoeste steden te herbouwen: 'Laat de stenen van alle steden op de gewijde plaatsen liggen, laat ze in heilige oorden rusten'. Het land werd in vier gebieden verdeeld. De mensen kregen Egypte, Tweestromenland en het dal van de Indus. Het vierde gebied - TIL.MUN - werd aan de goden voorbehouden. Het strekte zich uit vanaf het schiereiland Sinaï tot de Libanon en vormde het zogenaamde 'Heilige Land' van de Bijbel, zoals naderhand nog zal blijken. Dit gebied zou onder bevel van de godheid Sjamasj worden geplaatst. Uta-Napisjtim kreeg toestemming om in het 'land van de goden' te leven en -zoals zijzelf - onsterfelijk te worden. Later bleek dat de geschiedenis van de zondvloed slechts deel uitmaakte van een groter epos, dat nu bekend staat als het Gilgamesj-epos. Over Gilgamesj zelf wordt gezegd: 'Geheime dingen heeft hij gezien, wat voor de mens verborgen is, is hem bekend. Hij heeft zelfs mare gebracht van de tijden van voor de zondvloed. Hij ondernam ook de reis naar de (verte) inspannend en met moeilijkheden hij keerde terug en schreef al zijn beslommeringen in een stenen zuil.' De grote Kaukasische 'ingewijde' Georg Iwanowitsj Gurdjieff had van zijn vader verhalen gehoord die van generatie op generatie overgeleverd waren en die navertellingen van het Gilgamesj-epos waren gebleken. Gilgamesj was een nakomeling van de grote godheid Sjamasj, die Sippar stichtte. Na de zondvloed had een mensvrouw Sjamasj een zoon geschonken die later hogepriester werd van de tempel van An - tot zijn vader hem opdroeg de stad Uruk te stcihten. Hij regeerde 324 jaar, zijn zoon 420 jaar. Gilgamesj was de zoon van de koning van Uruk en van de godin NIN.SUN. Hij was de vijfde heerser over de stad. De godmens Gilgamesj raakt bevriendt met de diermens Enkidu. De wederom vermelde onbegrijpelijk lange levensduur van de 'god-koningen' van voor de zondvloed wekt het vermoeden dat in die tijd methodes bekend waren om het leven aanzienlijk te verlengen. Het land van de goden, TIL.MUN wordt beschermd door de wachter Chumbaba, die zich in de Libanon ophoudt. Gilgamesj is samen met Enkidu op weg om onsterfelijkheid van de goden te bemachtigen. De lange reis heeft het tweetal vermoeid en ze vallen in slaap. Midden in de nacht schrikt Gilgamesj, bevend over zijn hele lichaam, uit zijn slaap op. 'Ging daar soms een god voorbij?', vraagt hij huiverend aan Enkidu: 'Waarom ben ik nu toch zo ontdaan (...) Vriend, dat was wat ik zag en het was ontzettend: De hemelen krijsten, het aardrijk dreunde! De dag verstarde, duisternis daalde, een bliksem flitste, vlammen laaiden op! Toen verdween de gloed, het vuur doofde. En al wat omlaag kwam werd as!' Beleefde Gilgamesj daar, van de 'woning der goden' uit, hoe een 'mu' - een raket - van start ging? Ondanks dit gaat het tweetal voort en ze bereiken de poort: 'Verwonderd staan ze aan de ingang van het woud. Waar Chumbaba placht te gaan was een voetspoor, heel recht liepen de sporen, een kanaal van vuur. Ze zien de Cederberg, de woonplaats van de goden, de sleuven van Isjtar,' 'Met zijn voetzolen stampt het (Chumbaba) op de aarde, doet Hermon en Libanon trillen. Toen kwamen zwarte en witte wolken, de dood regent als mist op hen neer.' Enkidu biedt het monster het hoofd. Briesend van woede woelt het door zijn gesnuif een krater in de aarde en als door een stormwind wordt Enkidu in dat gat geblazen. Maar hij weet er weer uit te klauteren en de hemelstier te doden. Gaat het hier nu om een mythe, om oeroude goden- en heldensagen of berust het Gilgamesj-epos toch op een 'antiek' mythologisch ingekleed verslag van werkelijk gebeurde dingen? Gilgamesj heeft volgens de Soemerische koningslijst 4900 jaar geleden geleefd. De grootste tempelruïne van de antiekewereld was eens de tempel van Baälbek. In 63 v.C. werd hier door de Romeinen begonnen met de aanleg van de Jupitertempel. Archeologische opgravingen vonden onder deze nog andere tempels. De oude Grieken vereerden hier hun zonnegod Helios en hadden de stad Heliopolis gedoopt. Volgens de Romeinse schrijver Macrobius (omstreeks 400 v.C.) aanbaden reeds de Assyriërs hier hun zonnegod Adad (Saturnalia I,23). Adad, zoon van Enlil en broer van Isjtar, werd koning over de 'berglanden van het Noorden'. De Soemerische naam voor Adad was Sjamasj. Was mogelijk Baälbek de landings- en startplaats van de Annunaki? Het platform van Baälbek bestaat uit zeer grote monolieten. De drie grootste zijn elk 20 meter lang, vier meter hoog en drie meter breed elk van de drie enorme steenblokken weegt ruim boven de 1000 ton. Ze zijn niet alleen zwaarder dan de overige, ze zijn ook van veel en veel oudere datum. Voor de Arabieren was de tempel van Baälbek het oudste bouwwerk op aarde. Volgens overleveringen zou hij opgericht zijn in de tijd van Adam en Eva, die na hun verjaging uit de 'hof van Eden' in de omgeving van Damascus hebben geleefd. Damascus pretendeert de ;oudste stad van de wereld' te zijn, omdat Adam haar zou hebben gesticht. Volgens patriarch Johannes Maro van Damascus luidde de legende als volgt: 'Kaïn, zoon van Adam, bouwde de stad in het jaar 133 van de Schepping in een vlaag van waanzin. Hij gaf haar de naam van zijn zoon Henoch en bevolkte haar met reuzen, die om hun misdadigheid met de zonvloed werden gestraft.' Volgens Maro zou de bijbelse Nimrod de vesting na de zondvloed hebben herbouwd, omdat hij de 'hemel trachtte te bereiken'. Een verwijzing misschien naar de bouw van de toren van Babel? Deze zou dan niet in Babylon, maar op het tempelplateau in Baalbek hebben gestaan. Na de zondvloed werd het land andermaal gekoloniseerd. De goden zochten nieuwe gebieden en er vestigden zich mensen in Soemerië. In de Bijbel wordt Baalbek ook 'Beth Sjemesj' genoemd, 'het huis van Sjamasj'. Ook in Beneden-Egypte bevond zich een Beth-Sjemesj, dooe de Egyptenaren zelf On genoemd (Grieks: Heliopolis). Volgens een overlevering streed de god Baäl (naar wie Baalbek werd genoemd) met Mot vanwege een 'stralende steen'. deze steen stelde Baäl in staat met zowel de hemel als elke plaats op aarde contact op te nemen: 'Het is een ding dat woorden uitzendt, een steen die fluistert. De mensen zullen zijn boodschappen niet kennen, de massa's op aarde ze niet begrijpen.' Volgens de sage troonde Baäl op de 'hoogte van Zaphon', een verwijzing naar Baalbek. Mogelijk was zo'n fluistersteen het voorbeeld van orakelstenen, 'navels' genaamd. Ons woord navel is weer afgeleid van het Soemerische NA.BA(R), wat 'glimmend lichte steen die verklaart' betekent. Nadat Enkidu de 'hemelstier' heeft overwonnen, besluiten de goden dat hij doet moet. Na Enkidu's dood gaat Gilgamesj op weg naar het zuiden en komt bij het Sinaï-gebergte. Daar 'waar zij dagelijks opstijging en afdaling bewaken, hoog boven verweven met de hemelband, diep beneden met de onderwereld, houden 'schorpioenmensen' aan de bergpoort de wacht, wier vreselijkheid enorm is, wier aanblik de dood is, wier afschrikwekkende glans bergen omhult, die over Sjamasj waken als hij opstijgt en afdaalt.' Er lijkt een twee raketbasis op de berg Sinaï te zijn. TIL.MUN betekent 'land van het leven'. De Ararat ligt op het velengde van de lijn tussen beide Heliopolissen. Jeruzalem is een der oudste steden van de mensheid. Reeds in Egyptische optekeningen uit de 19e eeuw v.C. komt de stad als 'Urusjalim' voor als stichting van de god Sjalim, welke door de experts gelijk gesteld werd met de Soemerische god Sjamasj. In de Haggada staat over de Voortijd: 'De nakomelingschap van de verbinding tussen de negelen (Nefilim) en de vrouwen van Kanaän waren de reuzen roemrucht om hun kracht en zondigheid. Ze dragen vele namen; één daarvan is de naam Rephaïm.' Een van de laatste halfgoden was de in Beth Sjemesj (Baalbek) geboren Samson. Jeruzalem lijkt het communicatiecentrum van de Annunaki-Nefilim geweest te zijn. In het apocriefe boek, het 'Boek der Jubeljaren', ook wel 'Openbaring van Mozes' genoemd, staat dat er vier oorden Gods op aarde waren: de Tuin der Eeuwigheid in het Cedergebergte, de 'Berg van het Oosten' - de Ararat -, Sinaï en Zion (Jeruzalem). 'Tuin der eeuwigheid, de allerheiligste, is het thuisoord van de Heer; en de berg Sinaï, in het centrum van de woestijn; en de berg Zion, het middelpunt van de navel van de wereld. Deze drie werden geschapen als heilige oorden, met elkaar verbonden.' Was de Grote piramide of piramide van Cheops een ruimtevaartstation? Waren de steden Mohenjo Daro en Sodom en Gomorra ten onder gegaan door atoomexplosies? Volgens één van de Dode Zeerollen was de gebeurtenis als volgt: 'Een zuil van rook en stof steeg op, zoals een rookzuil die uit het hart van de aarde komt. Hij stortte over Sodom en Gomorra een regen van zwavel en vuur uit en verwoestte de stad, de hele vlakte, alle inwoners en alle planten (...) En Lot woonde in Zoar, maar vestigde zich in de bergen, want hij was bang om in Zoar te blijven. De mensen werd aangezegd de oorden van komende explosie te verlaten, niet naar de ontploffing te kijken en zich onder de grond te verbergen (...) De vluchtelingen die zich omdraaiden, werden blind en stierven.' Sargon van Akkad had het eerste beroepsleger uit de geschiedenis. In het centrum van zijn hoofdstad Akkad (of Agade) stond de prachtige Isjtartempel UL.MASCH genaamd. Sargon liet ook in Nippur, Ur, Adab, Kisj, Der, Akshak en Umma Isjtartempels bouwen. Hoewel Sargon een groot rijk stichtte liet hij het 'huis der goden', Dilmun met rust. Zijn kleinzoon Naramsin echter viel dit wel binnen. Vandaar dat de goden een vloek over Akkad uitspraken. De goden vernietigden Akkad zo grondig, dat de ruïnes tot op heden niet zijn gevonden. Laatst bijgewerkt: 31-01-07 |