4211 |
|
Omstreeks 807 verschenen de Denen voor het eerst voor de kust van de Lage landen. In dat jaar voeren zij met een vloot van 200 schepen voor de kust van Groningen en Friesland. Later verschenen zij ook voor de kust van Holland en Zeeland. Hun schepen voeren de rivieren op of landden op het strand. Uit die schepen sprongen grote, woest uitziende mannen. Zwaaiend met bijlen en zwaarden renden ze naar het dorp of de stad. Iedereen die ze tegen kwamen werd gedood. Huizen werden in brand gestoken en het vee werd geslacht en alles wat waarde werd meegenomen. Vooral de kerken en kloosters moesten het ontgelden, want daar was goud en zilver te vinden. Hierover gaat dit verhaal. |
![]() |
Ineens klonk er buiten geschreeuw en lawaai. De straat was plotseling vol mensen die door elkaar renden. Sija en de tollenaar liepen snel naar buiten om te horen wat er aan de hand was. Midden in die bende holde een groot hijgend paard. Het dier brieste wild, met schuim op de lippen. Hij gooide met een koppig gebaar het hoofd omhoog. De man die erop zat keek al net zo verwilderd. Hij hijgde en schreeuwde: "Te wapen !!! De Noormannen komen !!!" En iedereen nam de kreet over. "De Noormannen komen ! De Noormannen komen !" De tollenaar rende meteen zijn huisje binnen. Haastig stopte hij zijn geld in een grote kist. Nee, dat was te lastig. Hij gooide de kist weer leeg. Daarna rende hij naar buiten om een leren zak te halen. In de haven was het ineens een grote janboel. Iedereen liep iedereen in de weg. Schippers stonden te schreeuwen om hun bemanning. Vloekend en tierend. Hier gooide er één alle lading die in het schip lag over boord. Zo snel mogelijk wilde hij wegvaren. Daar probeerde iemand nog zoveel mogelijk mee aan boord te krijgen om tenminste nog iets te redden. In de straten deed iedereen de deuren en de luiken dicht. Veel mensen sloten zich op in hun huizen. "Waaldger, Frida ! Thuiskomen !" Overal riepen bezorgde moeders hun kinderen. De oude Balderik, hoofd van het stadsbestuur, probeerde de bewoners van Dorestad te kalmeren. "Geen paniek mensen. Luister toch. We moeten kalm blijven !" "Ja, dat kunt U makkelijk zeggen. U heeft toch niets meer te verliezen", riep een lakenkoopman. En hij probeerde zoveel mogelijk zakken met geld en dure stoffen op een mager paard te laden. Niemand luisterde naar Balderik. En niemand luisterde naar Sigebert, de priester van de St. Walburgiskerk. Hij liep met wapperende pij heen en weer en riep: "Mensen. vergeet toch dat domme geld. Laten we allemaal samen de stad verdedigen. Dan kunnen we met Gods hulp die rovers wel tegenhouden !" Maar de mensen lachten hem uit. En Sija ? Ze was stilletjes weggelopen. De stad uit. Naar de oever van de Waal. Tussen de wilgen, achter wat dicht struikgewas verborgen, keek zij de rivier af. Niemand zag haar. Maar zij zag alles: de drukte bij de poorten, waar iedereen probeerde zo snel mogelijk weg te komen. Ze zag de schepen en de propvol geladen roeibootjes stroomopwaarts vluchten. En toen .... , toen zag Sija plotseling vijf, zes, zelfs tien schepen om de bocht van de rivier komen. Er stond nog steeds weinig wind. Maar de lange smalle schepen kwamen toch snel naderbij. Toen zag Sija ook de bemanning. De rovers stonden tot de tanden bewapend op het dek. De zon weerkaatste op de helmen, de schilden en de zwaarden. Heel zachtjes kon ze zelfs hun ge-schreeuw horen. Ze waren klaar voor het gevecht. "Taraa !!" In de stad klonk een hoorn. Daar hadden ze de schepen nu ook gezien. En warempel. Een paar dappere mannen hadden zwaarden, bogen en speren tevoorschijn gehaald.
Ze verzamelden zich bij het water. Balderik was er ook bij. Sija kon hun woorden niet verstaan, daarvoor was ze te ver weg. Maar ze zag wel hoe Balderik allerlei bevelen stond te geven. "Een stelletje boogschutters links bij de haven ! Een groep zwaardvechters daar verderop bij de grote steiger !" En toen ineens nam er één de benen. En een tweede. En nog meer. Tot iedereen op de vlucht sloeg. Alleen Balderik bleef staan, roepen en schreeuwend. Toen keerde hij zich om .. trok zijn zwaard... stak het recht vooruit in de lucht. Net alsof hij zeggen wilde: "Stop Noormannen. Als je leven je lief is, want hier staat de verdediging". Maar daar snorden plotseling een heleboel pijlen door de lucht. En de boogschutters op het eerste "drakenschip" konden goed mikken... Sija kneep even haar ogen stijf dicht. Haar hart sloeg sneller dan normaal. Ze kroop nog meer in elkaar achter de struiken. En ze voelde even met haar hand onder haar kleren. Daar - op haar borst - hing een zware zak. Gewoon van linnen. Er kwam rinkelend geluid uit. Meester Wichbold, de tollenaar, was hals over kop ge-vlucht. Hij had al zijn geld in de steek gelaten. En Sija had gedacht: Je weet maar nooit waar het goed voor is. Ze had altijd een zak bij zich met wat speelgoed, zoals bikkels, een paar dobbelstenen en één hele mooie steen. Toen er zo'n paniek was, had ze gauw de zak leeggegooid om zoveel mogelijk munten erin te kunnen stoppen. Toen had ze de benen genomen.... In de verte klonken nog steeds allerlei geluiden: ijzeren wapens die tegen elkaar werden geslagen, zo nu en dan geschreeuw, en krakend houtwerk. Sija kon niet zien wat er achter de wallen gebeurde. Maar bij de drakenschepen was het erg druk. De Noormannen liepen af en aan. Van alles sleepten ze aan. Zakken graan, vaten vol met bier en wijn, grote pakken linnen en laken. Daar ging zelfs een koe aan boord. En toen ineens zag Sija rook. Even later vlammen. Daar...vlakbij de kerk... bij het munthuis, waar de munten werden gemaakt... en daar bij de graanschuren...en daar... dat moet het huis van de tollenaar zijn. Brand ! De Noormannen hadden de stad in brand gestoken. De rovers waren weer snel vertrokken. Hun schepen vol met buit. De bewoners van Dorestad kwamen weer uit hun schuilplaatsen. Sigebert nam de leiding van het bluswerk. Nu luisterde iedereen. Snel gingen de mensen in een lange rij staan, vanaf het water naar de brand. Plons ! Een emmer in het wa-ter...doorgeven ! en weer één... en nog één. Zo wisten ze de meeste branden toch te blussen. Gelukkig stonden de brandende gebouwtjes meestal los van de andere huizen. Daardoor vloog niet de hele stad in brand. Toen werden de doden geteld. De oude Balderik werd naar de kerk gedragen. Er staken acht pijlen in zijn borst. De mensen keken naar de grond. Ze schaamden zich en dachten: Hadden we maar geluisterd. Misschien hadden we samen die rovers wel kunnen tegenhouden. Wichbold de tollenaar liep jammerend heen en weer. "Alles hebben ze meegenomen.., de boeven... ooh, mijn geld, mijn munten... allemaal verdwenen !" "Mis, meester Wichbold", zei Sija. "Kijk eens wat ik hier heb." Ze straalde en haalde met trots gebaar de zak met geld tevoorschijn. laatst bijgewerkt: 19-12-07 |