5005

Pelgrimsreizen en bedevaarten

z. ook: Het Mirakel van 1345 en de Kapel ter Heilige Stede

Tours, graf van Martinus (? - 397)

Vooral in de elfde en twaalfde eeuw werden omvangrijke bedevaarten (pelgrimages) gehouden. Volgens een zeer ruwe schatting woonden er toen vijftig miljoen mensen in Europa; daarvan ging elk jaar - eveneens ruw geschat – een half miljoen op bedevaart: één procent van de bevolking. Bedevaarten werden gehouden naar plaatsen waar een belangrijke gebeurtenis heeft plaatsgevonden, een bovennatuurlijk wonder (bijvoorbeeld een wonderlijke genezing, een huilend beeld) of een goddelijke verschijning heeft plaatsgevonden of naar een kerk waar een heilige was begraven. 

De drie belangrijkste bedevaartplaatsen waren: het Heilige Graf in Jeruzalem; het graf van Petrus in Rome; en het graf van de apostel Jacobus de Meerdere in Santiago de Compostella. 

Andere belangrijke bedevaartsplaatsen zijn: het Vaticaan, Fátima, Lourdes, Jasna Góra, Rocamadour (Frankrijk), Kevelaer, Assissi (Italië), Banneux (Sprimont) (België)

Volgens een legende zou het graf van de apostel Jakobus, een van de discipelen van Jezus, zich hier bevinden. Zijn stoffelijk overschot zou, nadat hij in Palestina was onthoofd, in een stenen boot zijn gelegd waarin twee van zijn discipelen meereisden. De boot bereikte vanzelf de Galicische kust, waarna het dode lichaam werd begraven aan de berg Libredón. Over het graf verrees een machtige basiliek.
De reden voor het ondernemen van bedevaart zijn om over een hogere waarheid, God of het leven na te denken; om respect te betuigen; om inspiratie te verkrijgen; om tot bezinning te komen; om een poosje afstand te nemen van een hectische dagelijkse bestaan; om 'de ervaring'; 'om er geweest te zijn'; of om andere mensen te ontmoeten. In de middeleeuwen hoopten echter de pelgrims met hun bedevaart een goddelijke zegen te krijgen, en een aflaat voor hun zonden, dat wil zeggen een vermindering of algehele kwijtschelding van hun straf - of de straf van een familielid – in het vagevuur. Sommige bedevaartplaatsen werden voor pelgrims interessant nadat er volgens ooggetuigeverhalen verschijningen hadden plaatsgevonden, meestal van Maria, een engel of een heilige. Andere plaatsen werden bekend vanwege een of meer gevallen van wonderlijke genezingen, of vanwege stigmata, een 'huilend' beeldje, of andere verschijnselen die mensen bovennatuurlijk voorkwamen. De rooms-katholieke Kerk kent overigens een strikte procedure om de betrouwbaarheid en feitelijkheid van een getuigenis vast te stellen, voordat tot officiële erkenning van een dergelijk verschijnsel wordt overgegaan. Dit is bijvoorbeeld het geval voor het bedevaartsoord in Medjugorje (Bosnië en Herzegovina). Santiago de Compostella ligt in Noord-West Spanje. Volgens een legende zou het graf van de apostel Jakobus, een van de discipelen van Jezus, zich hier bevinden. Zijn stoffelijk overschot zou, nadat hij in Palestina was onthoofd, in een stenen boot zijn gelegd waarin twee van zijn discipelen meereisden. De boot bereikte vanzelf de Galicische kust, waarna het dode lichaam werd begraven aan de berg Libredón. Over het graf verrees een machtige basiliek. De stad heet officieel alleen Santiago. De bijnaam Compostella (de Nederlandse vorm van Compostella) komt misschien van Campus Stellae (Sterrenveld) en verwijst naar de ster die, volgens de overlevering, het gebeente van Jakobus op deze plaats heeft aangewezen. Vooral pelgrims maken graag gebruik van de naam Compostella. Santiago de Compostella is een van de belangrijkste christelijke bedevaartsoorden. Pelgrims uit heel Europa eindigen hier hun voettocht. Deze voettocht noemt de Camino de Santiago (De weg naar Santiago).

De pelgrims op weg naar Santiago zijn herkenbaar aan de Sint-Jakobsschelp, het teken van de heilige Jacob. De schelp heet in het Latijn Pecten jacobaeus, in het Duits Pilgermuschel (pelgrimsmossel) of Jakobsmuschel en in het Frans coquille Saint Jacques. De schelp wordt gedragen met de sluiting naar boven (in tegenstelling tot de schelp van een bekende oliemaatschappij). Dit dier wordt langs de Galicische kust gekweekt (de kwekers zeggen niet precies waar, om diefstal te voorkomen) en is onder de naam vieira in de Galicische restaurants een gewilde delicatesse. De weg naar Santiago (in het Spaans ook wel 'el camino'; de weg genoemd) kent veel van deze tradities. Zo laten pelgrims een van huis meegenomen steen achter bij Cruz de Ferro waarmee ze symbolisch hun zonden van zich afleggen en (letterlijk) verlicht hun weg vervolgen.

In Frankrijk zijn er verschillende routes. De pelgrimshandleiding in het vijfde boek van de Codex Calixtinus uit de 12e eeuw noemt vier pelgrimswegen in Frankrijk. Deze beginnen respectievelijk in Parijs, Vézelay, Le Puy en Arles en komen samen in Saint-Jean-Pied-de-Port in de Franse Pyreneeën. De route is gemaakt door Odilo van Cluny met als doel het noordelijke deel van Spanje niet prijs te geven aan de Moren.  

De hoofdroute in Spanje vanuit Frankrijk (de camino francés) begint traditioneel in het franse Saint-Jean-Pied-de-Port of in het spaanse Roncesvalles en is ongeveer 775 km lang. Er bestaan meerdere routes, zoals een kustroute in Noord-Spanje en een route vanuit Zuid-Spanje en Portugal.

Gemaakt: 12-01-08

colofon