2891 |
|
![]() |
![]() |
Na de moord op ![]() ![]() |
Met Maximinus de Thraciër kwam er nieuwe kracht in de oorlogvoering. Hij was een briljant militair die zijn meeste tijd doorbracht met veldtochten langs de Rijn tegen de Alamannen en langs de benedenloop van de Donau tegen de Sarmaten en Daciërs vanuit zijn hoofdkwartier Sirmium. Hij slaagde erin de Alamannen, die in 234-235, tijdens het bewind van keizer ![]() |
![]() |
Daarna trokken de Romeinse legioenen de Rijn over en drongen ver in het gebied der Germanen door en versloegen hen daar in een hevig gevecht. Het kwam echter niet bij de nieuwe keizer op, dat er iets anders van hem verwacht zou kunnen worden dan het leveren van gevechten of dat zijn onderdanen voor iets anders bestemd konden konden wezen dan voor het voorzien in het levensonderhoud van zijn krijgsmakkers. De belastingen brachten naar zijn zin te weinig op en ze werkten trouwen veel te langzaam. Plundering op grote schaal gaf betere resultaten. Roof en moord - met die woorden kan men de regering van deze soldatenkeizer karakteriseren. Maximinus stelde aan het volk en de provincies steeds onredelijker eisen. Het geheel ging op een rooftocht lijken: "Na de meeste welgestelde families tot de bedelstaf te hebben gebracht en na tot de ontdekking te zijn gekomen dat de verkregen inkomsten toch niet toereikend waren voor wat in de bedoeling lag, sloeg Maximinus de hand aan het openbaar bezit", aldus Herodianus. De oppositie in de Senaat tegen hem barstte los in 228, naar aanleiding van zijn belastingmaatregelen die een aanzienlijke last legden op de schouders van de hoge middenklasse. In dat jaar benoemden een groep Afrikaanse edelen de al wat oudere gouverneur Marcus Antonius Gordianus tot tegenkeizer. De Senaat begreep dat er wat broeide en hechtte er onmiddellijk zijn goedkeuring aan. Er werd een commissie van twintig ex-consuls benoemd om Maximinus, die nu tot staatsvijand werd verklaard, van het toneel te verwijderen. In alle klassen der maatschappij heerste geestdrift voor de burgeroorlog tegen de Thraciër en zijn noordse barbaren. Toen hij vanuit Pannonië het noorden van Italië binnenviel, ondervond hij daar krachtige tegenstand, wat zijn troepen grote verliezen kostte. Na de eerste tegenspoed begonnen de soldaten samen te spannen en kwamen zelf in opstand. De Thraciër ziedde van woedde. Tijdens zijn pogingen om de storm te bezweren werd hij door zijn eigen lijfwachten vermoord. Hij had toen drie jaar geregeerd. Zijn zoon, die hij tot zijn opvolger had bestemd, moest het lot van zijn vader delen.
laatst bijgewerkt: 02-11-05 |