3081 |
Patriciërs en plebejers |
De meeste Romeinen behoorden tot de plebejers. De meeste plebejers hadden het erg slecht. Vooral de kleine boeren hebben het moeilijk. Door de voortdurende oorlogen met de buurvolkeren kwamen zij steeds meer in de schuld te staan bij de rijke patriciërs. Als zij hun schulden niet konden terugbetalen werden zij in de gevangenis geworpen of tot slaaf gemaakt. Sedert onheugelijke tijden werd Rome overspoeld door een massa mensen zonder geld en zonder werk. Met de opeenvolgende oorlogen en veroveringen waren steeds meer mensen van het platteland en uit de provincie naar Rome getrokken in de hoop daar werk te vinden, maar het stedelijke proletariaat was er alleen maar grote door geworden. Het was een werkeloze massa, die men moest bezighouden om oproer en revoluties te voorkomen, vandaar de beruchte "brood en spelen". Bovendien betekende deze volksklasse een zware last voor de staatskas. |
|
![]() |
De rest van de Romeinse bevolking kon worden ingedeeld in verschillende vermogensklassen. Naast de kleine lieden met beperkte bezittingen, was er de stand van de paticiërs, waarvan de leden een fortuin van tenminste 400.000 sestertiën bezaten. Bovendien hadden ze de militaire bevelvoering en verschillende burgelijke functies in handen. Ze waren werkzaam in de handel en het bankwezen en gaven schenkingen aan de staat. Daarboven konden ze rekenen op de steun van de keizer, want ze waren betrouwbaar en toegewijder dan de senatoren. Naarmate hun fortuin groeide, konden ze opgenomen worden op de senatorenlijst.
Op lange termijn was de senaat samengesteld met vertrouwelingen van de keizer. En dan waren er nog een groot aantal slaven, wier politieke invloed voortdurend zou toenemen, want talrijke keizers deden een beroep op slaven of vrijgestelden om hen te adviseren bij het stadsbestuur. De patriciërs waren de afstammelingen van de oude voorname Romeinse families. In de tijd van de Etruskische koningen (6e eeuw v. Chr.) waren zij lid van de Senaat, die de Koning van tijd tot tijd advies moest geven. De mannen in de Senaat, de Senatoren, waren dus adviseurs van de Koning. Zij beschouwden zich als de vaders van de staat en noemden zich daarom patriciërs (afgeleid van het Latijnse woord pater = vader). |
![]() |
Zij voelen zichzelf als heel voornaam en belangrijk en beschouwen zichzelf als "de Besten" en achten daarom alleen zichzelf geschikt om het rijk te besturen. Bovendien zijn de patriciërs rijk en bezitten zij veel grond. Op de vergaderingen van de Senaat, op een gewijde plaats dicht bij het Forum, beslissen zij over nieuwe wetten en andere belangrijke staatszaken.
Tot de rijke bovenlaag behoorden ook "plebejers" die rijk waren geworden. Meestal waren dat de nakomelingen van de mensen die later in Rome waren komen wonen, meestal kleine boeren en handwerkers. Wie tot "het gewone volk" behoorde, was uitgesloten van alle belangrijke functies binnen de staat en had dus niets te vertellen. Wel hadden zij de plicht om belasting te betalen en dienst te nemen in het Romeinse leger. |
![]() |
Later kwam er een Volksvergadering, waarin mensen uit het volk konden meepraten, echter alleen over binnenlandse kwesties Toch wilden veel Romeinen wel graag een plaatsje krijgen in deze Volksvergadering. Je had dan namelijk een goede kans om een goedbetaalde baan te krijgen in dienst van de Staat. Om in de Volksvergadering te komen moest je wel de stemmen hebben van het volk. Op allerlei manieren probeerden mannen nu de gunst van dit volk te winnen. Eerst met handdrukken, maar later ook door het uitdelen van graan of het organiseren van fantastische spelen. Voor brood en spelen wil de arme Romein best wel zijn stem op iemand uitbrengen.
laatst bijgewerkt: 18-06-02 |