2583 Nerviërs (Nervii)
De Nerviërs (Latijn: Nervii), waren een Belgische, van oorsprong Germaanse stam, die ten tijde van de verovering door Julius Caesar (Gallische oorlogen) in het noorden van Frankrijk en het zuiden van België woonde, tussen Schelde en Maas. Buurvolkeren waren: de Menapiërs, de Viromandui (Vermandois, dep. Aisne in Picardie, Frankrijk), de Atrebates (Arras, Fr.) en de Atuatuci

De stam controleerde een belangrijke sector van de grote handelsweg van Keulen naar Amiens. Tacitus vermeldt dat de Nerviërs in zijn tijd prat gingen op hun "Germaanse" afkomst. Caesar zegt inderdaad dat de meeste Belgen "afkomstig waren van de Germanen", d.w.z. van over de Rijn kwamen. De Griekse geograaf Strabo schrijft dat de Nerviërs een Germaans volk waren, maar vergist zich waarschijnlijk met de Eburonen. De latere, zeer uitgestrekte civitas Nerviorum omvatte waarschijnlijk ook de woongebieden van andere stammen, waarvan Caesar zegt dat ze afhankelijk waren van de Nerviërs: Ceutrones, Levaci, Geidumni, enz. De civitas werd begrensd door de Rupel in het noorden en de Schelde in het westen; dichte bossen maakten dat in het oosten en het zuiden de grenzen onduidelijk waren. De hoofdstad was Bagacum Nerviorum (Bavay, N.-Fr.). Tijdens de late keizertijd werd de hoofdstad verplaatst naar Cameracum (Kamerijk/Cambrai, N.-Fr.).en veranderde de naam in civitas Cameracensium. De grenzen bleven ongeveer bewaard in die van het middeleeuwse bisdom Kamerijk.

In 57 v. Chr. trachtten de Nerviërs, o.l.v. Boduognat (Boduognatus), Caesar tegen te houden aan de Sabis, traditioneel geïdentificeerd met de Samber, maar waarschijnlijk te identificeren met de Selle, een zijriviertje van de Schelde (Fr.). In 54 v. Chr. slaagde de stam er bijna in het legioen van Quintus Cicero, dat in hun grensgebied overwinterde, uit te schakelen met represailles als gevolg. Voor de grote opstand van Vercingetorix leverden ze volgens Caesar 5000 man.

Caesar leed in de slag aan de Sabis zware verliezen, hetgeen hem ertoe noopte een aantal details mee te delen over deze volksstam, die overeenkomen met wat hij in zijn inleidend hoofdstuk vertelde over de Belgen in het algemeen: zij lieten geen Romeinse handelaars toe binnen hun gebied en wilden geen wijn of andere luxegoederen invoeren; het waren woeste en dappere kerels, die zich niet met Rome wilden inlaten.

Caesar heeft een interessante uitweiding over de "hagen", die typisch blijken te zijn geweest voor het Nervisch gebied waar hij in 57 v.Chr. doorheen trok (N.-Frankrijk) en de velden en wegen afzoomden, waardoor de mars gehinderd werd. De Romeinse veldheer kent er een militaire functie aan toe: de Nerviërs hadden geen noemenswaardige ruiterij en streden vooral te voet, waarbij zij door hun hagen in het voordeel waren. In elk geval wijzen deze hagen erop dat langsheen de grote baan Amiens-Keulen de bossen plaats hadden gemaakt voor cultuurgronden: zijn beschrijving is best toepasbaar op de "kanten" of houtwallen rondom de akkers, zoals ze tot voor enkele tientallen jaren haast overal te zien waren.

De slag aan de Sabis

Nadat Caesar aan de Aisne (zijrivier van de Oise) het Belgische coalitieleger had getrotseerd, hadden de Belgische stammen van Noord-Frankrijk zich één voor één aan hem overgegeven, als laatste de Ambiani. Vanuit hun hoofdplaats (Samarobriva - brug over de Somme) vertrok de belangrijke handelsweg naar de Rijn (over Tongeren en Maastricht). Die zou Caesar gebruiken om naar de stammen in het huidige België te trekken. Na drie dagen kwam hij in het gebied van de Nerviërs, die hem opwachtten achter de Sabis. Voor de Sabis zou Caesar zijn kamp opslaan, in het zicht van de vijand. Wellicht verwachtte hij een zoveelste, relatief makkelijk succes. 

De Nerviërs waren echter nauwkeurig ingelicht over Caesar's marsgewoonten en de gecompliceerde maneuvers bij de aankomst op de bivakplaats. Bovendien bleken de Nerviërs en hun bondgenoten (de Viromandui en de Atrebates) zich gedisciplineerd te gedragen. Het aanvalsplan was erop gericht het Romeinse leger zo gevoelig te treffen dat Caesar niet anders zou kunnen dan naar Italië terug te keren. Caesar had de kilometerslange legerkolonne (ong. vijftigduizend mensen en duizenden lastdieren) opgesteld zoals dat zijn gewoonte was in vijandelijk gebied. Na de voorhoede kwamen zes van de acht legioenen waarover hij toen beschikte, gevechtsklaar, d.w.z. zonder hun hinderlijke bagage. Die bevond zich in de lange legertros, die achter de zes legioenen voorttrok. Daarna kwamen dan de laatste twee legioenen, als bescherming voor de tros en als achterhoede. De kampplaats, die elke dag zorgvuldig gekozen werd door speciale eenheden, was bij aankomst van de eerste troepen al volledig voorbereid, zodat alle eenheden wisten waar ze hun tenten konden opslaan. Het eerste werk was de versterking van de kampplaats: het graven van een gracht en het opwerpen van een wal rond het enorm grote terrein. Alle legioenen kenden hun plaats in het geheel en de sector van het kamp die zij moesten beginnen versterken. Als iedereen was aangekomen (wat enkele uren duurde) was elke zijde van het kamp door twee legioenen verdedigd. Het spreekt voor zich dat tijdens het uitvoeren van de aankomstmaneuvers en het graafwerk de legioenen het kwetsbaarst waren. Wanneer de eerste delen van de legertros het kamp binnentrokken, vielen de Belgen dan ook aan. Zij wisten dat de laatste twee legioenen op dat ogenblik nog kilometers ver waren. Zij zouden nu trachten de legioenen twee per twee uit te schakelen.
De Nerviërs, de hoofdmacht, stonden op de linkervleugel. De kleinere groepen der Atrebaten en der Viromandui stonden resp. op de rechtervleugel en in het centrum. Zij vielen het eerst aan en moesten de legioenen die de linkerkant (leg. IX en X) en de voorkant (leg. VIII en XI) van het Romeinse kamp aan het versterken waren, weglokken van de bivakplaats. Daardoor was het kamp enkel op de rechterkant verdedigd. Op dat ogenblik viel de hoofdmacht aan. Eén deel pakte de twee legioenen van de rechterzijde (leg. VII en XII) aan, het andere trok naar het hoogst gelegen deel van het kamp, waar de staf gelegerd was. Blijkbaar was het de bedoeling dat de hoofdmacht de twee legioenen zeer snel zou uitschakelen, om dan de anderen te gaan helpen. Wanneer de twee laatste legioenen (leg. XIII en XIV) zouden arriveren, moest de strijd beslecht zijn.

Caesar heeft dan enorm veel geluk gehad. Blijkbaar hadden de Belgae hem niet zo snel verwacht: in elk geval was een vierde stam, de Atuatuci, nog niet gearriveerd toen het gevecht moest beginnen. De Ambiani hadden bovendien de tegenslag dat zij op hun vleugel tegenover de fameuze legaat Titus Labienus kwamen te staan, die het negende legioen commandeerde en tegenover het al even fameuze tiende legioen. Zij leden zware verliezen en deze legioenen konden de Gallische kampplaats innemen. Toen Labienus zag wat de Nerviërs van plan waren, zond hij het tiende legioen opnieuw naar de Romeinse kant om te gaan helpen. Omdat de Belgen bovendien niet op volle sterkte waren, duurde het gevecht te lang en het was in feite al aan het keren toen de twee laatste legioenen arriveerden. Toen was het met de Belgae gedaan.

De belegering van het winterkamp van Cicero

Caesar schrijft dat na de slag aan de Sabis de stam der Nerviërs zo goed als uitgeroeid was. Toch waren de Nerviërs enkele jaren later talrijk genoeg om de last te dragen van een winterkamp en het bijna te vernietigen. Caesar had Quintus Tullius Cicero, de broer van de grote redenaar, opgedragen met een legioen te overwinteren in het grensgebied tussen de Nerviërs en de Atuatuci, in de buurt van de grote baan Amiens - Rijn. Hij lag daar blijkbaar in steun van het winterkamp bij de Eburonen (onder bevel van Sabinus en Cotta, op 75 km) en dat in het grensgebied van Remi en Treveri (onder bevel van Labienus, op 90 km). Hoewel Caesar dat zelf nergens duidelijk zegt, mogen we aannemen dat een aantal Belgische stammen, ongeveer op hetzelfde moment, deze winterkampen hebben aangevallen, zodat ze elkaar niet konden helpen. Volgens Caesar was dat ongeveer twee weken nadat de legioenen waren aangekomen op de overwinteringsplaatsen.

Toen Ambiorix met zijn Eburonen het anderhalve legioen van Sabinus en Cotta had vernietigd, trok hij onmiddellijk naar de Atuatuci. Samen trokken ze naar de Nerviërs. Totaal onverwacht bestormden de drie stammen, die zoveel mogelijk krijgers hadden bijeengetrommeld, het winterkamp. De Romeinen sloegen de aanval af, werkten zo goed en zo kwaad als het ging de versterkingen af, en hielden stand. Dan deden de Belgen aan Quintus Cicero het aanbod hem met zijn legioen weg te laten trekken, maar die weigerde. Daarop sloten de Belgae het winterkamp volledig in met een gracht en een wal. Deze belegeringswerken, met een totale omtrek van 6 km, werkten ze op een paar uur af, wat een idee geeft van hun aantal. Toen de Belgae de dagen daarop telkens weer aanvielen, werd de toestand voor de Romeinen stilaan hachelijk. Op de zevende dag schoten de Belgae het kamp in brand en vielen massaal aan. Voorlopig echter konden de Romeinen stand houden.

Van bij de eerste aanval had Cicero herhaaldelijk geprobeerd Caesar op de hoogte te brengen, wat telkens mislukt was. De boden die in handen vielen van de Belgae, werden voor de ogen van de soldaten op een afschuwelijke manier om het leven gebracht. Toen duidelijk werd dat het maar een kwestie was van dagen voor het kamp zou vallen en dat er iets moest gebeuren, bracht de Nerviër Vertico, die niet had willen meedoen met zijn stamgenoten en zijn toevlucht had gezocht in het winterkamp, de redding. Hij kreeg één van zijn mensen zover dat hij het nog eens wou proberen. Die man raakte door de verdedigingsgordel en zo werd Caesar, die al op weg was naar Italië en dus van niets wist, ingelicht.

Caesar stuurde de bode onmiddellijk terug met een bericht voor Cicero en organiseerde een mini-legertje. Hij vertrok onmiddellijk met twee legioenen. Labienus, wiens kamp belegerd werd door de Treveri, kon niet komen helpen. Met zijn twee legioenen trok Caesar bliksemsnel op richting Cicero. Die kreeg het bericht van Caesar pas laat te zien en geloofde slechts dat er hulp op komst was, toen de uitkijkposten in de verte rookpluimen van branden opmerkten en toen de Belgae de belegering plotseling opgaven. Caesar, die door Cicero verwittigd was dat de Belgen in zijn richting kwamen, sloeg zijn kamp op aan de Piéton, een klein zijriviertje van de Samber in een machtige vallei. Aan de overkant stond de legermacht van de Belgae te wachten. Door zijn bivak met opzet klein te houden en te doen alsof hij bang was van de Belgen, lokte Caesar een aanval uit. De Romeinen stonden echter klaar en joegen de Belgen bij een plotse uitval op de vlucht. Caesar trok onmiddellijk verder naar Cicero. De hulp was geen moment te vroeg gekomen: 90 percent van Cicero's legioen was gedood of gewond.

Bron: Nerviërs - Wikipedia

civitas Bagacum of Bavay

Gemaakt: 24-10-06

colofon