5116 Willem Witsen (1860 - 1923)
Nederlandse schilderkunst in de 19e eeuw; Amsterdamse Impressionisten

De etser, schilder, tekenaar, aquarellist, schrijver en fotograaf Willem Arnoldus Witsen werd geboren in Amsterdam op13-8-1860. Hij was de zoon van Jonas_Jan_Witsen, koopman, en Jacoba Elizabeth Bonekamp, zich noemende Veltman. Witsen was een telg uit een vermaarde Amsterdamse familie, die in de 17e eeuw al een grote rol speelde in het bestuur van de stad, met burgemeesters als Cornelis en vooral Nicolaas Witsen.

Witsen was van 1876 tot 1884 leerling aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten, met A. Allebé als leermeester voor schilderen en J.W. Kaiser en R. Stang voor grafiek. Onder zijn medeleerlingen waren W.B. Tholen, E. Karsen, M.W. van der Valk, J.P. Veth en A.J. Derkinderen. 

Witsen was een stil, haast schuw man, neigend tot melancholie. Opvallend in de kring der Tachtigers was zijn aristocratische allure. Hij was een maecenas voor veel van zijn schilders- en dichtersvrienden. Zijn koele reserve verborg een nerveuze gevoeligheid. Zoals Witsen zelf schreef had hij ´buien van grote moedeloosheid met mezelven, maar ik zoek tevredenheid in mijn werk´. Onder zijn vrienden kon hij zich echter wel ontspannen: als een goed schaker en cellist, die graag een glas dronk en een dure sigaar rookte. Er was in zijn leven ´een ondertoon van zwaarmoedigheid´, en dat ziet men in al zijn werk. Hij was een gevraagd portrettist en vervaardigde ook enkele kleurrijke bloemstukken, om als het ware de hem toegeschreven koelheid te weerleggen. Witsen was zeer geïnteresseerd in artistieke technieken, maakte zelf veel proefdrukken van zijn etsen en ontwikkelde en drukte ook zelf de prachtige foto´s af die hij van zijn gezin en vrienden maakte. Anders dan bij Breitner, werden zijn foto´s haast nooit als voorbeelden voor zijn schilderijen gebruikt.

Waarschijnlijk door Van der Valk, die een jeugdvriend was van Willem Kloos, raakte Witsen met deze en de andere Tachtigers bevriend. Hij had een actief aandeel in de Beweging van Tachtig, steunde De Nieuwe Gids in financieel opzicht en schreef hierin onder diverse schuilnamen artikelen over moderne kunst, waarbij hij vooral getuigde van zijn grote bewondering voor de schilderkunst van Millet.

Willem was bevriend met vele belangrijke kunstenaars en literatoren van zijn tijd: George Breitner, Isaac Israels, Jacob van Looy, Jan Veth, Willem Tholen, Willem Kloos, Lodewijk van Deyssel en Frederik van Eeden. In zijn leven en werk was hij wellicht wat minder uitbundig dan sommige tijdgenoten, waardoor hij niet zo in de schijnwerpers is komen te staan. Bij verzamelaars is zijn werk echter zeer gewild.
Aanvankelijk vormden mensen op het land, zoals herders en ontginners, zijn inspiratiebron. Witsen woonde van 1884 tot 1888 op ´Ewijckshoeve´, het buiten van de familie Witsen bij Lage Vuursche, en ontmoetingsplaats voor schilders en musici; daar waren het landschap en de arbeidende bevolking zijn voornaamste onderwerp.
Al vroeg legde hij zich toe op de grafiek. In 1885 stichtte hij met Veth en Derkinderen de Nederlandse Etsclub, die portefeuilles met etsen uitgaf en jaarlijks exposeerde. Het landschap was aanvankelijk zijn voornaamste onderwerp, maar meer en meer ging de grote stad hem boeien.

Ewijkshoeve 1882 - 1887
Aanvankelijk werkt Witsen in de traditie van de Haagse School. Witsen woont dan op Ewijkshoeve bij Lage Vuursche, het buiten van de familie. Het is een ontmoetingsplaats van schilders, musici en schrijvers. Onder invloed van de Franse kunst, maar ook geïnspireerd door Anton Mauve legt hij het buitenleven vast: houtsprokkelaars, de herder met zijn kudde en heiwerkers. Witsen schildert zijn figuren in deze tijd graag groot en zet ze in tegenlicht, ten dele zeer realistisch, maar ook schetsmatig en met expressieve verfstreken .

Amsterdam 1887 - 1888
In zijn eerste atelier in Amsterdam aan de Oude Schans, maakte Witsen zijn tekeningen, etsen en schilderijen van de Montelbaanstoren, die hij zó vanuit zijn raam kon zien. Hij gebruikte de compositie precies zoals die door zijn raam werd ingekaderd. Het schilderij Montelbaanstoren uit 1887 markeert Witsens overstap van Ewijkshoeve naar de stad. Het is de opmaat voor zijn stemmige Londense stadsgezichten. Witsen was vooral in het begin van deze stedelijke periode, betrokken bij het tijdschrift De Nieuwe Gids, dat in 1885 als spreekbuis was opgericht voor een nieuwe garde van kunstenaars: de Tachtigers. Schrijvers en schilders als Van Eeden, Kloos en Verwey, Veth en Karsen en evenzo Witsen publiceerden er hun denkbeelden over literatuur en kunst en zetten zich af tegen de vorige generatie. Hun motto luidde: lart pour lart.

Londen 1888 - 1891
In 1888 vertrok hij naar Londen, waar hij tot 1890 bleef. Deze tijd is beslissend geworden voor zijn kunstenaarschap. In donkere visionaire prenten werd de stad uitgebeeld in al haar sombere majesteit, met mensen en rijtuigen en slechts schaars beweeg tussen de grote vormen van bruggen en gebouwen. In Londen maakte hij krachtige stemmige stadsgezichten vol poëzie, vaak geschilderd langs de oevers van de Theems. Voor zijn vrienden, zoals Kloos, die een paar maanden bij hem logeerde, bleef hij, ook in de verte, een trouwe hulp.

In Londen, waar Witsen ruim twee jaar verblijft, pakt hij het thema stadsgezicht volledig op. Uit zijn werk spreekt een bijzondere aandacht voor de melancholie van de stad. In brieven aan zijn geliefde in Holland schrijft Witsen: n eenheid van donkere grijzen en zacht mooi licht - n stemming van ernstige zware mooiheid ... maar heerlijk rijk en vòl .... . De schilderijen van Witsen krijgen de voor zijn werk zo kenmerkende donkere tint in gedempte kleurtonen en een sterke contrastwerking tussen licht en donker.

Riviergezicht te Londen (1890)
In Londen verandert zijn thematiek en gaat hij niet meer uit van mensen in het landschap. Prachtige stemmige stadsgezichten vooral geschilderd vanuit plekken langs de Theems hebben dan zijn voorkeur. Hij schrijft in een van zijn brieven aan zijn geliefde: " 'n eenheid van donkere grijzen en zacht mooi licht - 'n stemming van ernstige zware mooiheid ... maar heerlijk rijk en vol ...." Willem Witsen heeft zeker het werk van Whistler (1834 - 1903) gekend, met name bij Witsen terug te vinden in de aandacht voor de melancholie van de stad.

Amsterdam (1891-1892)
Terug in Nederland werkte Witsen in Laren, Amsterdam. In de hoofdstad woonde hij in een fraai huis in het Oosterpark (nr. 82), en verleende hij gastvrijheid aan vele vrienden. G.H. Breitner en Isaäc Israels schilderden hier, Paul Verlaine logeerde er in 1892 op zijn beroemd geworden reis naar Nederland en de dichters Kloos, Hein Boeken en Frederik van Eeden waren geregelde bezoekers.
Amsterdam blijft als inspiratiebron zijn hele kunstenaarsloopbaan trekken. Jarenlang was hij gefascineerd door de nog ongerepte schoonheid van zijn geboortestad Amsterdam. Niet zozeer de monumentale grachtenpanden, maar vooral de volksbuurten trokken zijn aandacht. Vanuit zijn atelier aan het Oosterpark of vanuit het achterhuis van vrienden die aan de Warmoesstraat woonden, tekende hij de vrijwel verstilde straten, gevels en grachten. Er ontstaan stadsgezichten, vooral gelegen rond de Oude Schans, de Montelbaanstoren en Uilenburg. Hij maakte vaak lange wandelingen door de stad. Aan zijn verloofde schreef hij in 1891: ¨die groote brokken van ’t mooie Amsterdam, met al die regenluchten en die regendamp - mooi, mooi, mooi, anders niets.¨ Samen met een bevriend fotograaf verkende hij per roeiboot de grachten. Witsens kunstwerken tonen zijn karakteristieke kijk op de stad en zijn voorkeur voor het verstilde Amsterdam van rond 1900. In ruim dertig jaar maakte hij vele tientallen artistieke impressies van de stad waar hij zo van hield. In een tweetal wandelingen neemt de auteur u mee naar de verscholen wereld van Willem Witsen.

Ede 1893 - 1897
Terug in Nederland gaat Witsen na zijn huwelijk
met Elizabeth van Vloten (4-5-1893) in Ede wonen. Vooral de boerenwoningen in de sneeuw leveren een serie wintergezichten op die tot de beste van zijn oeuvre horen. Witsen maakt hier, net als in Londen, gebruik van het licht van de sneeuw tegen de donkere hoekige boerderijen. In krachtige kleurtegenstellingen verbeeldt hij met vereenvoudigde vormen van boerderijen in het landschap. 

Rotterdam (1897), Dordrecht (1898-1900)

In 1897 gaat Witsen naar Rotterdam en tussen 1898 en 1900 bezoekt hij Dordrecht veelvuldig. Witsen zoekt in de door hem uitgekozen steden rust, verstilling en tijdloosheid. Hij ontwijkt de bruisende drukte van de groeiende stad van zijn tijd en trekt zich bij wijze van spreken terug in het verleden. Vanuit een roeiboot maakt Witsen schetsen van de onderhuizen aan de Voorstraatshaven. Zo ontstaat een serie van dertien etsen en vijftien aquarellen. 


links: Leuvehaven, Rotterdam, 1897

De etsen van Witsen waren vernieuwend door zijn subtiele toepassing van aquatint en vernis mou, resulterend in mooie nuances van toon in de zwarte vlakken. Datzelfde gevoel voor tonaliteit en 'stemmigheid', en typisch kenmerk van de esthetiek van de Tachtigers, is terug te vinden in zijn geschilderde stadsgezichten en sneeuwlandschappen.

De melancholieke sfeer van de oude Dordtse binnenstad met zijn mooie achter gevels aan her water moet Witsen zeer hebben aangetrokken. Met een roeiboot voer hij door de Voorstraatshaven richting Grote Kerk. Vanuit de boot maakte Witsen in zijn schetsboek vele tekeningen met kleurnotities. Naar aanleiding van deze schetsen ontstond een twaalftal etsen en een aantal aquarellen en schilderijen. Hij beklom de toren van de Grote Kerk om het prachtige uitzicht te kunnen vastleggen; de stad ligt er geheel omgeven door water.

Mensen zijn op zijn verstilde, ingetogen schilderijen weinig te zien, Toch was Witsen een begenadigd portrettist. In de jaren negentig ontstond een reeks getekende, geschilderde, gefotografeerde en geëtste portretten van schrijvers en schilders rondom het tijdschrift De Nieuwe Gids. Witsen was gefascineerd door het verstilde stadsgezicht. Ook de impressies van Wijk bij Duurstede (1906-1908) en zijn reizen naar Italië (1914), de Verenigde Staten (1915) en Indonesië (1920-1921) tonen vooral buurten waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan. Willem Witsen hield intussen zijn atelier in Amsterdam aan en bleef daarnaast zijn fascinatie voor het stadsgezicht behouden. Hij koos voor de verstilde plekken van de stad met een vaak melancholieke sfeer.

1902-1914
Na de ontbinding van zijn eerste huwelijk (10-9-1902) gaf Witsen zijn buitenhuis in Ede op en sindsdien werd zijn vaderstad het grote thema van zijn werk. Van de oude buurten van Amsterdam, in het bijzonder rond de Montelbaanstoren, werden vele schilderijen en vooral grandioze etsen gemaakt. Op 25-4-1907 huwde hij met Augusta Maria Schorr. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Vanaf 1911 gebruikte hij daarbij ook een atelierboot, waardoor zijn visie merkwaardig laag en horizontaal is. Met zijn boot meerde hij aan rond de Montelbaanstoren en bij Uilenburg. Vanuit zijn boot nam hij de omgeving waar en op vele manieren in beeld brengen: schilderen, aquarelleren, fotograferen, tekenen en etsen. Vooral de buurten rond de Oudeschans met de Montelbaanstoren, de Binnenkant, het Kolkje en de Oudezijds Achterburgwal, Uilenbrug, de boten op het IJ en de omgeving van Damrak en Rokin heeft hij uitvoerig in beeld gebracht.

1914: Venetië
Naar aanleiding van een reis naar Venetië in 1914 maakt Witsen aquarellen, etsen en schilderijen.

1915: Verenigde Staten
In 1915 gaat hij naar San Francisco om de Nederlandse afdeling van de Panama-Pacific-International Exposition in te richten, een wereldtentoonstelling georganiseerd ter gelegenheid van de opening van het Panamakanaal. Een aantal etsen en olieverfstudies van het rotsachtige landschap in Californië is nu een blijvende herinnering.


Venetië, 1921

1920-1921: Indië
Zijn laatste grote reis vond plaats in 1920/1921 naar Nederlands-Indië, waar een broer van zijn tweede vrouw op een plantage werkte. Het Indonesische landschap boeide hem, maar hij wist er niet goed raad mee. Eenmaal in Batavia kreeg hij echter de opdracht het portret te schilderen van de toen scheidende gouverneur-generaal, J.P. graaf Van Limburg Stirum.
Hij is er onder de indruk van het landschap rond Buitenzorg en legt dit vast in landschapsetsen. Ook het karakteristieke van de Javaanse bevolking is in een serie etsen terug te zien. Na een halfjaar keerde hij terug naar Holland, waar hij op 13 april 1923 overleed na een langdurige ziekte.

Portretten en bloemstillevens
Portretten schildert Witsen, naast het stadsgezicht, zijn hele leven. De vele portretten van bevriende kunstenaars en schrijvers maken duidelijk hoe hij zich temidden van deze vriendenkring ontwikkelde. Al in de tijd van Ewijkshoeve onstaan portretten van Jacob van Looy, Mauve, Maurits van der Valk, Albert Verweij. In de vroege jaren negentig komen Willem Kloos, Hein Boeken en Frans Erens herhaaldelijk voor. Ook de fotos van bijvoorbeeld Charles van Deventer en Karsen kenmerken zich door een grote directheid en sfeerweergave. Omstreeks 1916 neemt hij er nog een onderwerp bij: kleurige bloemstillevens in aquarel en olieverf.
De vele portretten van bevriende kunstenaars en schrijvers maken duidelijk hoe zijn vriendenkring het middelpunt van zijn bestaan vormde. In de vroege jaren negentig ontstond een reeks getekende, geschilderde, gefotografeerde en geëtste portretten van schrijvers en schilders rondom het tijdschrift 'De Nieuwe Gids'. Zijn foto's kenmerken zich door een grote directheid en sfeerweergave. De foto's van familieleden en schrijvers- en schildervrienden worden in Dordrecht als in een familiealbum bij elkaar gepresenteerd.

Etsen
Witsens etsen waren vernieuwend door zijn subtiele toepassing van aquatint en vernis mou, dit resulteerde in mooie nuances van toon. Datzelfde gevoel voor tonaliteit en ´stemmigheid´, kenmerkend voor de esthetiek van de tachtigers, is te zien in zijn geschilderde stadsgezichten en sneeuwlandschappen.

Waardering en betekenis
Witsen heeft gemengde waardering gevonden. Zijn werk is vaak te somber en afwerend geacht, het was de tegenpool van dat van zijn vrienden Breitner en Israels. Hij werd nooit erkend als zijnde een echte impressionist, strenge vormen en vlakken zijn kenmerkend voor zijn doeken en prenten. Er spreekt een beheerste hartstocht uit, door Hammacher de ´hartstocht der eenzaamheid´ genoemd. Trots en stil staan de Amsterdamse huizen, de huizen der vaderen, langs de donkere grachten. Witsen houdt van de winter, de bomen steken zwart af tegen de grauwe lucht, de dooisneeuw plakt op de daken en takken. Alles is even fors en monumentaal gezien en toch vol met een sfeer van ijlte en vergankelijkheid. De geschiedenis van het oude geslacht en de oude stad lijken in dit werk samen te vloeien, voornaam en vermoeid.

Witsens betekenis is veelzijdig. Zijn schilderkunst en grafiek is groots van allure maar traditioneel, zijn fotografie daarentegen zeer oorspronkelijk en daarom thans hoog gewaardeerd. In de beweging van Tachtig heeft hij door zijn vriendschap en steun een centrale rol gespeeld: Kloos herdacht hem met 25 sonnetten.
Willem onderhield correspondentie met aansprekende letterkundigen waaronder Hein Boeken, Lodewijk van Deyssel, Willem Kloos, Jacobus van Looy en Jan Veth, terwijl men onder de kunstenaars namen als G.H. Breitner, A.J. Derkinderen, Isaac Israels en Willem Tholen tegenkomt.

Witsen als fotograaf
Witsen heeft zijn modellen vaak gefotografeerd in een natuurlijke omgeving, zoals de tuin van Kloos´ huis in Ede of in zijn atelier. Door zijn opleiding als impressionistisch schilder werkte hij veel met licht- en donkereffecten, wat het profiel van zijn objecten vaak verrassend doet uitkomen. Hoewel Witsen heel vernieuwende ideeën had over het gebruik van de camera, kreeg hij weinig erkenning van vakgenoten. Zijn foto´s circuleerden voornamelijk binnen de kring schrijvers, dichters, schilders en musici, waarin hij zelf een bindende rol vervulde.
Vooral het niet vermelden van Witsens kwaliteiten als fotograaf is symptomatisch voor de verdere literatuur over deze veelzijdige kunstenaar. Het ontbreken ervan wekt destemeer bevreemding als men zijn foto´s bekijkt terwijl willem witsen als fotograaf bovendien onbekend noch onbemind was. Lodewijk van Deyssel schreef over dit onderdeel van Witsens werk... omdat de door hem gemaakte fotografieën de schoonste zijn die men zien kan, en omdat, meer dan uit welke andere ook, uit deze fotografieën blijkt, dat zo als een fotgraaf niet kunstenaar mocht zijn, een kunstenaar dan toch de beste fotograaf is. 
Het is bekend dat Breitner en Witsen elkaars foto´s gebruikten. Witsen beoefende de fotografie als een zelfstandige hobby en niet, zoals zijn vriend Breitner, als een directe studie voor een schilderij. Wel verraden zijn etsen de invloed van de fotografie; bijvoorbeeld de wijze waarop het beeld wordt gekaderd en afgesneden, de diverse standpunten (hoog of laag), het weergeven van halftonen. In de etstechniek wordt hij tot een van de beste onder z´n tijdgenoten gerekend. Naast zijn kunstenaarsschap heeft waarschijnlijk ook zijn eigenschap zich eindeloze moeite te getroosten om ingewikkelde technieken onder de knie te krijgen, er toe bijgedragen dat hij een goed fotograaf werd

Laatst bijgewerkt: 15-01-06