4481

Uitspanningen en theetuinen

Nederland in de 19e eeuw; Amsterdam (1800 - 1850); Amsterdam (1850 - 1900)


Boven: Het Tolhuis achter het Centraal Station bij avond, geschilderd door Nicolaas van der Waay.

De Amsterdammers die er 's zondags of in hun vrije tijd even tussenuit wilden, maakten een wandeling langs de slingerende Buitensingel met zijn vele bolwerken of bastions. In de buurt daarvan waren veel pleziertuinen, muziektuinen, uitspanningen en herbergen waar het aangenaam toeven was. Er waren ook veel overdekte kolfbanen. Sommige kolfbanen groeiden uit tot theetuinen.

In de buurt van de Buitensingel waren veel pleziertuinen, uitspanningen en herbergen waar het aangenaam toeven was. Maar er waren ook sociėteitstuinen, muziektuinen en een zomertheater te vinden. Zo lagen er rondom de stad tientallen gelegenheden waar de burgerij zich op zon- en feestdagen kon vermaken. Daaronder waren natuurlijk ook heel wat doodgewone kroegjes te vinden.  Wie goedkoop uit wilde zijn, reed naar Diemen. Daar was nog tot ver in onze eeuw de uitspanning-annex café van Vervetjes met een grote speeltuin. 

De echte Amsterdamse theetuinen waren Frankendael en Rosenburgh in de Watergraafsmeer, oorspronkelijk deftige buitenplaatsen met grote tuinen die waren aangelegd naar het model van de Fransman Le Nôtre. Daarheen trokken de beter gesitueerden en dan vanzelfsprekend per rijtuig. Want naar de Meer te lopen vonden de meeste Amsterdammers te ver. Wanneer zo'n gezelschap, samen met de uitgenodigde kinderen, te talrijk was, dan kwamen er een grote door twee paarden getrokken tentwagen met vier of meer dwarse banken aan te pas. 

William Glackens (1870-1938), onder de bomen in Jardin de Luxembourg (Parijs)

De dienstmeisjes moesten dan in de zogenaamde "kattebak", een achter op de wagen gebouwde bank, plaatsnemen. Vaak werden er eetwaren meegenomen, omdat er in sommige tuinen alleen koffie en thee of verse melk van eigen koeien in grote kannen werd geserveerd. Dit was echter niet overal 't geval. Soms moest de waard 't juist hebben van de verteringen. Zij stonden het daarom niet toe dat er meegebrachte dranken en etenswaren werden gegeten op zijn terrein. Niet iedereen hield zich echter daar aan. "Gewoonlijk ging men reeds 's morgens naar de tuin, beladen met hengselmand en karbiezen, gevuld met belegde broodjes, de vorige dag gebakken pannenkoeken, koekjes, zuurtjes en andere lekkernijen en een flesje anisette of ander zoet slokje. Omdat men zeer goed wist dat de exploitant er niet op gesteld is dat proviand wordt medegebracht, wordt deze gemaskeerd door over de karbiezen regenmantels en omslagdoeken te hangen. (J. van Eck: "De Amsterdamsche Schans en de Buitensingel")

Boven: Theedrinken in Boschhek, schilderij van J.E.H. Akkeringa (1861 - 1942)

Van Eck schrijft verder: "Gewoonlijk zijn de verteringen niet groot; nadat bij aankomst eerst een prieel is uitgezocht om daarin de gehele dag te vertoeven, wordt door de oudere leden van het gezelschap een kop koffie besteld. Voor de koffiemaaltijd wordt weer een kop koffie gebruikt, terwijl de kinderen een glas melk kregen en voor alle leden van het gezelschap één broodje kaas of ham wordt besteld. Het maal wordt aangevuld met de meegebrachte consumpties. 's Middags kwam de grote bestelling, voor de dames "een persoon thee", voor de kinderen een flesje limonade, waarna door de dames - heren zijn gewoonlijk niet van de partij, die kwamen eerst tegen de avond om de familie af te halen - één glaasje wordt gebruikt en bijgevuld uit de voorraad".
Iedereen van de familie vond in de theetuin zijn vermaak. Pa op de kolfbaan, op de kegelbaan of aan het biljart. De kinderen konden er zich uitleven met vliegers, stokpaardjes, schommels en wippen. Alleen ma deed bedaard, dat wil zeggen: zij maakte intussen voor ieder een kopje thee gereed. De thee heb ze zelf meegenomen van huis, het water, de warme stoof, de ketel en het servies kon ze zich in één van de prieeltjes laten brengen. Als de familie voor de plechtigheid verzameld was, kwam er behalve een brok kandij om op te zuigen, een spel kaarten voor de dag waarmee de familie "pot" ging spelen. Die theetuin is dus wél gezellig. Als opoe mee was, kon ze een stoof voor haar voeten krijgen en als opa per ongeluk zijn pijp heb vergeten, is er geen man overboord, want dan liet hij de bediende een rek vol gouwenaars aanrukken en dan kon hij ook nog tabak en zwavelstokjes krijgen. Vaak is het er zo gezellig, dat men er tot ongeveer acht uur 's avonds bleef. Dan worden voor het middagmaal nog enige porties pannenkoeken en sla besteld.

Eén van die theetuinen was "De Roomtuintjes", buiten de Muiderpoort. Oorspronkelijk was dit een herberg. Wie vroeger na de poortsluiting voor de stad kwam en dus buitengesloten was, kon overnachten in de nabijgelegen herberg. In de 19e eeuw werd de "Roomtuin" een vooral op zondagen druk bezochte uitspanning, waar men room, roomwaren en andere verversingen kon kopen en gebruiken. Ook voor de kinderen was de Roomtuin een droomtuin. Zij vermaakten er zich met wip, schommel, vlieger, paard- en ezeltje rijden. In 1881 werd de helft van de tuin verkocht voor woningen in de Von Zesenstraat. Een jaar later werd de rest van de tot het laatst toe populaire uitspanning eigendom van de gemeente om te worden opgeofferd aan de verbreding van de Mauritskade.
Aan het begin van de Zeeburgerdijk stond ± 1900 nog de alom bekende uitspanning Het Vosje. Deze beroemde herberg en uitspanning was eens de plaats, waar reizigers, die de stadspoorten gesloten vonden, konden overnachten. Vooral varkenshandelaren waren daar kind aan huis. Zij waren dan nog vóór het openen van de poorten in de gelegenheid om de bij Zeeburg aangevoerde varkens in ontvangst te nemen en langs de Zeeburgerdijk en Buitensingelweg naar de Muiderpoort te drijven. Later werd herberg 't Vosje meer een café, dat door de bewoners van de nabij gelegen Dapperbuurt werd bezocht en waar de schutters na afloop van de schietoefeningen op de schietbaan achter de herberg, aanliepen om iets te gebruiken. In de zomermaanden was herberg 't Vosje een druk bezochte pleziertuin. In 1901 werd de herberg gesloten.
Een eind verder, waar de naam veranderde in Diemerzeedijk lag de al in 1675 gebouwde herberg Zeeburg. Het was gebouwd op de restanten van de gesloopte verdedigingsschans met dezelfde naam. Langs de dijk waren stallen, waarin de kastelein het vee onderbracht dat voor de Amsterdamse veemarkt aan de Veelaan uit de provincie werd aangevoerd. Dat was voor hem een goed zaakje, want de mest en de melk gedurende het logies gewonnen, had hij voor niets. Vooral de mest scheen nogal veel op te leveren, hij voorzag vele tuinders daarvan en werd door hen de "mestboer van Zeeburg" genoemd. Op Zeeburg werd ook veel Zuiderzeevis gelost, die van daar door vis- of botboeren onder het roepen van "bot, bot, bot..." in hun kruiwagens naar de stad werden gereden en op straat werd uitgevent. Toen het Abattoir gereedkwam (in 1887), was het met het huis "Zeeburg" ongeveer gedaan. De resten van de oude herberg Zeeburg zijn in de later gebouwde Quarantaine Inrichting opgenomen.

Laatst bijgewerkt: 16-12-02