7162

Op ontdekking

Ontdekkingsreizen

Opgewonden staat het groepje mensen met elkaar te praten in de Spaanse havenstad Palos de la Frontera. Ze hebben het over de reis van Columbus. "Niets voor jou, Juan ?" grinnikt een kleine man. Hij heeft maar één oor en zijn neus is plat afgesneden. Littekens lopen over zijn gezicht. Juan, een boom van een kerel, draait zich verstoord om. Zijn ruwe handen verraden dat hij een harde arbeid gewend is. Even huivert hij als hij zijn lelijke buurman aankijkt. "Ik vecht liever nog een oorlog tegen de Moren, dan dat ik aan die reis meedoe, Pedro. Die Columbus wil niet om Afrika heen naar Indië varen, zoals  Prins Hendrik de Zeevaarder en die andere Portugezen dat proberen. Nee, hij wil naar het westen varen om zo Indië te bereiken ! Die man lijkt wel gek. Aan het eind van de oceaan trekt een sterke stroom de schepen naar de rand van de wereld. Er is geen houden aan. Een enorme waterval werpt de schepen in een oneindige afgrond. Ik heb het van de beste kapiteins gehoord. Nee, mij niet gezien, zo'n reis kan je dood worden." 
"Maar het verdient wel goed. Twee gouden dukaten ! Zoveel heb ik nooit bij elkaar gezien." Een heldere stem klinkt achterin het groepje. Een jongen van zo'n jaar of vijftien kijkt met glimmende ogen naar het plakkaat. "Wie weet met hoeveel geld je uit Indië terugkomt. De mensen daar wonen in gouden paleizen en de straten zijn er bezaaid met diamanten. Alles ligt er voor het oprapen. Ik meld mij aan en ik kom met volle zakken terug." "En als je niet terugkomt, Felipe ? Wat dan ? Wat moet ik dan ? Jij bent de enige die af en toe een beetje geld thuis brengt." De jongen kijkt boos opzij naar een magere vrouw. Ze heeft een treurige blik in haar ogen. "Maar wat dan, moeder ? Hier in Spanje blijven ? Door de oorlog is er overal armoede en nergens kan ik werk vinden. Dit is mijn kans." De vrouw buigt haar hoofd. Een traan biggelt over haar wangen. Juan, de grote man, bemoeit zich ermee. "Jij hebt gelijk, vrouw. Het is geen doen voor zo'n jongen op zee. Urenlang moet je op het dek staan. Met een beetje hoge zee word je al kletsnat. En hard werken hoor, van zonsopkomst tot zonsondergang. Als de reis lang duurt, is er alleen nog droge scheepsbeschuit te eten. Je hebt dan grote kans op scheurbuik." "Scheurbuik, wat is dat ?" vraagt Felipe. Hij luistert aandachtig. "Dan gaat je tandvlees opzwellen en daardoor kun je niet meer eten. Je hebt ook ontzettende maagkrampen. O, en dat water aan boord. Het stinkt en ziet vaak groen van de lagen. Ik heb verstandige matrozen zeewater zien drinken." "Ik zou maar oppassen, knul." De lelijke Pedro komt ertussen. "Jij kent alleen mooie verhalen over die verre landen. Weet je wel dat daar mensen wonen zo groot als reuzen, verschrikkelijk om te zien. Ze hebben één oog en dat zit midden in hun voorhoofd. Ergens anders leven verschrikkelijke mensen zonder hoofden. Zij hebben in elke schouder een oog en hun monden hebben de vorm van een hoefij-zer, midden op hun borst. En er moeten daar ook ergens mensen zijn, die zo'n grote bovenlip hebben, dat zij hun gezicht ermee kunnen bedekken." Felipe krijgt een spottende lach om zijn mond. "Zo hard zal ik niet schrikken. Aan lelijkerds ben ik hier al  gewend geraakt." "Snotaap !" scheldt Pedro. "ik zal je !" Felipe rent lachend weg en schiet snel "De Albatros" binnen.

laatst bijgewerkt: 29-10-08