4208

Vikingen op IJsland, Groenland en in Noord-Amerika 
(700 - 1000)

In de 8e eeuw ontdekten Ierse monniken in hun met huiden overtrokken boten IJsland, waarop zich in de daarop volgende eeuwen Noormannen vestigden. In 982 besloot Erik de Rode, wegens moord uit IJsland verbannen, de verhalen van uit de koers geslagen Vikingen over land in het westen te gaan onderzoeken. Dat daar land moest zijn, waas ook af te leiden uit de jaarlijkse trek van de Grote Alken (een pinguïnachtige, niet vliegende zeevogel, die in de 19e eeuw is uitgestorven) die ieder zomer wegzwommen van IJsland (en Groenland), om te broeden in Newfoundland. 

Het in bezit nemen van nieuw land kon in de Vikingwereld leiden tot veel eer en rijkdom. Zo ook voor Erik. In 985 voer een koloniseringsvloot van vijfentwintig Vikingschepen van IJsland naar het noorden. Uitgedreven door een zware storm bereikten slechts veertien schepen de vruchtbare diepe fjord in Zuid-Groenland. 

Daar stichtte Erik zijn basis Brattahlid (het huidige Narsarsuaq).  Later werd nog een tweede meer westelijk gelegen kolonie gesticht. De Vikingen profiteerden van een tijdelijke opwarming van het klimaat., die duurde tot in de veertiende eeuw.
Daardoor was het op Groenland een stuk warmer dan nu. Veel pioniers vestigden zich er daarom in dit vruchtbare land. In de elfdee euw woonden er in Groenland zo'n 1000 Vikingen. Verdere kolonisering was niet gewenst. Later, in de loop van de vijftiende eeuw werden de Groenlandse nederzettingen noodgedwongen weer verlaten. 

Omstreeks het jaar 1000 staken de Noormannen Bjarni Herjolfsson en Leif Eriksson, de zoon van Erik de Rode, met open boten en vermoedelijk één zeil de noordelijke Atlantische oceaan over en bereikten "het eiland Vinlanda", "het goede wijnland" aan de kust van Noord-Amerika. (z. ook: Inga's raaf)

Erikson en Herjolfsson beschreven het als een vruchtbaar land, vol druiven. Het bewijs voor hun ontdekking is een oude landkaart, omstreeks 1440 gemaakt door een Zwitserse monnik. Deze kaart werd in 1957 ontdekt en voor het eerst gepubliceerd in 1965. "Vinlanda" staat op deze kaart afgebeeld als een groot eiland in het westen van de Atlantische Oceaan. De twee grote baaien zouden de Hudsonbaai en de Baai van St. Laurens kunnen zijn. In de volgende eeuwen zetten de Vikingen hun  expedities over de Atlantische Oceaan voort. Nog in 1347 moeten zij volgens IJslandse bronnen een reis hebben ondernomen naar Labrador. 

Leif Eriksson stichtte op Newfoundland het kamp Leifsbudir, 3200 kilomter varen van Brattahlid, als basis voor verdere verkenningen. Maar omdat de Noormannen al snel op veel en nogal vijandig gestemde indianen stuitten, bleek kolonisering er te gevaarlijk. In Groenland woonde daarentegen niemand. Lang is de basis van Leif dan ook niet bemand geweest, enkele tientallen jaren (met tussenpozen) op zijn hoogst. 

Veel ontzag hadden de Noormannen overigens niet voor de indianen (en Inuit) die ze ontmoetten. Skraelings werden de inboorlingen genoemd: een Noors scheldwoord voor "bange zwakkelingen". 

Sages uit de dertiende eeuw vertellen onder meer hoe Eriks zwangere bastaarddochter Freydis bij een van de precaire schermutselingen in het zuiden van Newfoundland haar op de vlucht geslagen landgenoten bespotte: "Dan kan ik het nog beter dan jullie!" Ze greep een zwaard en sloeg dat tegen haar ontblote borst. Zo ging ze op de indianen af, die voor dit nogal ongewone gezicht op de vlucht sloegen.

Eeuwenlang behoorde Leif Eriksson tot de wereld van de legendes. In 1961 werd Leifs basiskamp in L'Anse aux Meadows ontdekt door de Noorse schrijver Helge Ingstad. Hij was daar gaan zoeken op basis van een zeventiende eeuwse IJslandse kaart waarop de plaats Vinland was ingetekend. Vrijwel alles bleek te kloppen. Want in L'Anse aux Meadows werden niet alleen de resten van acht Noorse gebouwen gevonden, maar ook twee witte walnoten: een noot die groeit in Zuid-Newfoundland, maar óók wilde druiven voorkomen. De noten bewijzen dat de Noormannen daar ook daadwerkelijk geweest zijn.

laatst bijgewerkt: 31-07-02

colofon