|
Hierdoor kon het aan de aanvallen der belegeraars, zelfs als zij krachtige belegeringswerktuigen gebruiken, meestal zeer lang weerstand bieden. De weerstand werd dikwijls door honger, ziekte of gebrek binnen de vesting als gevolg van een soms maandenlange belegering gebroken. Om aan dit gevaar hoofd te kunnen bieden werden grote voorraden levensmiddelen en materiaal aangelegd. Voornamelijk bestonden die voorraden uit: graan, gezouten vlees, wijn, zout, zwavel, pek, olie, kalk, pijlen, ijzer en hout. De verdedigers hadden soms lichte werpmachines tot hun beschikking, terwijl zij, wanneer de belegeraars zich dicht bij de muur bevonden ook nog met stenen, brandende zwavel of pek en kokende olie konden gooien. Het grootste probleem leverde echter het drinkwater, vooral wanneer dit van buitenaf de vesting instroomde. De belegeraars konden deze watertoevoer gemakkelijk afsnijden of deze door toevoeging van kadavers van dieren onbruikbaar maken, waardoor ziekten binnen de vesting het gevolg waren. |
 |