3673 | Aragon (1104 - 1291) |
![]() |
Het graafschap Aragón verwierf geleidelijk een zekere autonomie ten opzichte van Navarra, en toen de beroemdste van de vroeg-middeleeuwse vorsten van dit land,
La Alcazaba, de Moorse vesting boven de stad Molina de Aragón, die in 1129 door Alfonso l van Aragón werd veroverd. In zijn strijd tegen de Moren kende Alfonso I aanvankelijk méér succes dan in de machtsstrijd tegen zijn vrouw. Zijn opmerkelijke overwinningen in de Ebrovallei op de Almoraviden maakten dat Aragón niet langer een regionaal vorstendom uit de Pyreneeën bleef. De successen stapelden zich op: in 1114 nam hij Tudela in (maar hij raakte wel de Balearen kwijt!). In 1116 veroverde hij Lerida, mede door een bondgenootschap met Abdel Malik, de emir van Zaragoza, die hij twee jaar later uit zijn eigen stad verdreef om er de nieuwe Aragonese hoofdstad van te maken. Tussen 1119 en 1120 maakte hij zich meester van Tarragona, Daroca en Catalayud en in 1120 behaalde hij een gewichtige overwinning op de Almoraviden bij Cutanda. Te hulp geroepen door de zgn. mozaraben, de christelijke bevolking van Andalusië, drong hij in 1125 door tot aan de Sierra de Alpujarras en liet zich op zijn terugtocht door het vijandelijk gebied vergezellen door duizenden mozaraben die hij in de nieuw veroverde gebieden vestigde. Bij al deze veldtochten kreeg Alfons I veel steun van de vorsten en landheren ten noorden van de Pyreneeën (o.m. de graaf van Béarn werd er zijn vazal), zodat het koninkrijk Aragón uiteindelijk in de mogelijkheid verkeerde zich te mengen in de Zuid-Franse politieke aangelegenheden. De kansen keerden voor Alfons I, nadat hij eerst nog in 1133 Mequinenza had ingenomen, maar vervolgens in 1134 verslagen werd bij Fraga, waarbij hij zwaar gewond werd. Kort daarop overleed hij aan zijn verwondingen, nadat hij het bestuur van zijn koninkrijk toegewezen had aan de ridderorden van de Tempeliers en de aan de Hospitaalridders, die echter weigerden op het aanbod in te gaan. Hierop ontstond er een probleemsituatie aangezien er geen directe erfgenamen waren. Hierop vroeg zijn broer Ramiro bisschop van Barbastro-Roda dispensatie van de paus om zijn ambt tijdelijk neer te leggen en voor de opvolging van het koninkrijk te zorgen. |
Ramiro II van Aragon, bijgenaamd de Monnik, was de jongste zoon van koning Sancho I van Aragón en van Felicitas van Roucy. Hij was bisschop van Barbastro-Roda toen zijn broer Alfonso I van Aragón stierf in 1134 aan verwondingen opgelopen in een veldslag. Hierop kreeg Ramiro pauselijke dispensatie (want hij was tot priester gewijd) om voor de voortzetting van de dynastie en de troonopvolging te zorgen. Hierdoor werd hij bekend als de koning-monnik. Zo volgde hij in 1134 zijn broer Alfonso I op als koning van Aragón. Na enkele jaren door zijn broers onterfd en hij trok zich terug als monnik. Tijdens zijn regering stond hij Navarra af aan het verwante huis en gaf hij Saragossa in leen aan Castilië. Ramiro was gehuwd met Agnes van Poitou (Agnes van Aquitaine) (1110-1157, dochter van hertog Willem IX van Aquitanië en Gascogne en had één dochter: Petronila (1136-1170). |
Amper twee jaar oud werd ze beloofd aan Ramon Berenguer IV, Graaf van Barcelona en Provence. Meteen hierna deed Ramiro troonsafstand ten voordele van zijn dochter om zich terug te trekken in een klooster. De Aragonese monarchie was tot dusver enkel in de mannelijke overgeërfd. Petronila's opvolging was dan ook voor die tijd een uitzondering. Petronila trouwde met Raymond Berengar, bijgenaamd de Heilige, in 1150. Zolang hij leefde regeerde ze nominaal ieder over hun eigen gebieden, maar door zijn huwelijk met Petronila was Raymond Berengar tevens prins-regent van Aragón had over de meeste zaken het laatste woord. Raymond Berengar steunde de reconquista van Castilië en heroverde in 1147 de stad Almería. Ook streed hij tegen de graaf van Toulouse en verwierf hij het heerschap over Béarn. Na zijn dood in 1162 deed zij troonsafstand voor haar oudste zoon, Ramon, die in navolging van de Aragonese tradities, zijn naam veranderde in Alfonso. Hij werd de eerste die heerste over zowel Aragon en Catalonië (in Catalonië als Alfonso I) waarmee er een dynastieke unie ontstond die zou duren tot de afschaffing van de Kroon van Aragon in 1707. |
![]() |
![]() Alfons ll, bijgenaamd "de Kuise" was de oudste zoon van ![]() |
![]() Peter II was de zoon van Alfons II van Aragón en Sancha van Castilië. In 1205 erkende hij de paus als zijn leenheer en werd hij in Rome door Paus Innocentius III officieel tot koning gekroond. Hierbij zwoer hij het katholieke geloof te verdedigen. Hij wordt daarom ook wel Peter de Katholiek genoemd. Hij was de eerste koning van Aragón die gekroond werd door een paus. Op 15 juni 1204 trouwde hij Maria van Montpellier. Ze kregen een zoon: Jacobus. In 1212 leidde Pedro de Christelijke legers tegen de Moorse legers in de Slag bij Las Navas de Tolosa. Bij terugkomst in de herfst van 1212 bleek Toulouse veroverd te zijn door Simon IV van Montfort, tijdens zijn strijd tegen de Katharen. Ook had Simon zijn zwager, graaf Raymond VI van Toulouse, verbannen. Het daarop volgende voorjaar, in 1213, trokken Peter en Raymond de Pyreneeën over om het graafschap Toulouse weer op te eisen. De troepen van Peter en Simon troffen elkaar bij Muret. Raymonds plan was om Simons troepen te omsingelen en daarna uit te hongeren, maar Pedro vond dat een lafhartige strijdwijze en koos voor een frontale aanval. Dit bleek achteraf fataal. Pedro's troepen vielen al snel uiteen als gevolg van de felle aanvallen van het leger van Montfort. Pedro, die als een gewone ridder gekleed was, waardoor hij niet herkend werd als de koning van Aragón, werd zelf in het heetst van de strijd van zijn paard gestoten en gedood. Zijn leger sloeg daarna op de vlucht waarna Simon IV van Montfort de overwinning opeiste. |
![]() |
![]() |
![]() Jacobus I, bijgenaamd de Overwinnaar, was koning van Aragón, Graaf van Barcelona en heer van Montpellier van 1213 tot 1276 en koning van Majorca van 1231 tot 1276. Door een verdrag met Lodewijk IX van Frankrijk onttrok hij de Principaliteit van Barcelona aan de Franse soevereiniteit en integreerde het in de Kroon van Aragón. Zijn rol in de Reconquista was sterk gelijkend op die van zijn tijdgenoot Ferdinand III van Castilië in Andalusië. Als wetgever en organisator bezette hij een zeer hoge plaats onder de Spaanse koningen. Hij stelde het Llibre del Consulat de Mar samen, dat de maritieme handel regelde en bijdroeg tot de Catalaanse suprematie in de westelijke Middellandse Zee. Hij stelde het Catalaans aan als officiële taal van zijn domeinen en sponsorde Catalaanse literatuur, zelfs een semi-autobiografische kroniek van zijn regeringsperiode: het Llibre dels fets. Na het overlijden van Jacobus l werden de bezittingen van het huis van Aragón verdeeld. Aragon, Valencia en de Catalaanse gebieden kwamen toe aan zijn oudste zoon Peter; de Balearen (koninkrijk Majorca) en de territoria in de Languedoc (Montpellier en Roussillon) kwamen toen aan de jongste zoon, Jacobus II van Majorca. |
Peter lll, de oudste zoon van Jacobus I van Aragón en zijn tweede vrouw Jolanda van Hongarije, was een van de grootste middeleeuwse Aragónese vorsten. Hij was behalve koning van Aragón ook koning van Valencia (als Peter I) en graaf van Barcelona (als Peter II). Na zijn verovering van Sicilië in 1282 werd hij er tot koning. Gedurende zijn jeugd en als jonge volwassene deed hij veel militaire ervaring op in de oorlogen van zijn vader tegen de Moren. Peter trouwde met Constance, dochter en erfgename van Manfred van Sicilië. Na hun kroning in Zaragoza tot koning en koningin van Aragon herriep Peter alle feodale verplichtingen die zijn grootvader Peter II van Aragón aan de paus had beloofd. Zijneerste daad als koning was het afronden van de pacificatie van zijn Valenciaanse gebieden een actie waarvoor hij onderweg was geweest toen zijn vader stierf. In Catalonië koesterden de edelen enorme haat jegens Peter vanwege zijn harde aanpak onder de regering van zijn vader. Toen Peter weigerde de Catalaanse cortes bijeen te roepen om hun priviliges te bevestigen, kwamen zij in opstand. Leider van deze rebellie was Roger-Bernard III van Foix. Tezelfdertijd woedde er in het graafschap Urgel een lange en bittere strijd om de opvolging sinds de dood van graaf Álvaro in 1268 tussen de families van zijn beide echtgenoten respectievelijk Constance, dochter van Pedro Moncada of Béarn en Cecilia, dochter van Roger-Bernard III van Foix. Tijdens deze strijd was een groot deel van het graafschap bezet door Jacobus I van Aragón. In 1278 slaagde Álvaro's oudste zoon Armengol X van Urgel er in het merendeel van zijn verloren gebieden te heroveren wat leidde tot een akkoord met Peter waarin hij deze erkende als zijn soeverein In 1280 slaagde Pedro erin de rebellie geleid door Roger-Bernard III van Foix te onderdrukken. In 1277 was de van Tunesië Mohammed I al-Mustansir, die zelf aan Jacobus I van Aragón had onderworpen, overleden. Toen zijn opvolger weigerde de Araragonese soevereniteit te erkennen, stuurde Pedro in 1280 een expeditie naar Tunis onder leiding van Conrad van LLansa om Tunesië terug te brengen onder zijn heerschappij. In 1281 leidde Pedro zelf een vloot van 140 schepen met 15.000 manschappen voor een invasie in Tunesië. Nadat de vloot was geland in Alcoyll (1282) begonnen zijn manschappen zich ogenblikkelijk in te graven en wierpen zij fortificaties. Het waren deze troepen die de Siciliaanse ambassadeur ontvingen na de vespers van 30 maart om Peter te vragen de troon te veroveren op Karel van Anjou. Peter was de directe afstammeling van de Mafalda, de dochter van Robert Guiscard, hertog van Apulië, de Normandische veroveraar en diens officiële vrouw Sigelgaita, dochter van een Lombardische prins, Guaimar IV van Salerno. Aldus stond hij aan het einde van de Hauteville-erfopvolging in Sicilië. Nadat de hertogelijke familie van Apulië uitsterft met Willem II in 1227 werden de erfgenamen van Mafalda (de toenmalige graven van Barcelona) de jure de erfgenamen van Guiscard en Sigelgaita: zodoende was Peter een van de mogelijke opvolgers geworden voor de Normandische gebieden in Zuid-Italië. Meer direct was hij de erfgenaam van Manfred via de rechten van zijn vrouw. Aldus werden de Twee Siciliën een fel bevochten erfstuk van het Aragonese koninklijke huis over de volgende vijf eeuwen. |
De Italiaanse arts Johan van Procida handelde in naam van Peter in Sicilië. Hij was gevlucht naar Aragón na de successen van Karel bij Tagliacozzo. Johan reisde naar Sicilië om de gevoelens van onvrede op te stoken in het voordeel van Peter en daarna reisde hij door naar Constantinopel om de steun te bekomen van Michael VIII Palaeologus. Deze weigerde Peter te steunen zonder pauselijke goedkeuring. Dus reisde Johan naar Rome naar Paus Nicolaas III die de invloed van Karel in de Mezzogiorno vreesde en dus zijn steun toezegde. Hierna reisde Johan verder door naar Barcelona. Daar aangekomen vernam hij dat de paus gestorven was en opgevolgd door een Fransman Simon de Brie die de naam Martinus IV aannam. Zijnde Fransman en bovendien oude kanselier van wijlen Lodewijk IX van Frankrijk grootvader van Karel koos hij natuurlijk diens kant. Hierdoor werd een conflict onvermijdelijk. Na de afgezant van Palermo ontvangen te hebben te Alcoyll, landde Peter te Trapani op 30 augustus 1282. Hij werd te Palermo to koning uitgeroepen op 4 september. Deze gebeurtenissen dwongen Karel ertoe om over de Straat van Messina te vluchten en tevreden te zijn met het Koninkrijk Napels. Hierop excommuniceerde Martinus IV zowel Peter III als de Byzantijnse keizer Michaël VIII (18 november) Peter zette desalnietemin zijn veldtocht voort en tegen februari 1283 had hij het grootste gedeelte van de Calabrische kustlijn veroverd. Karel, misschien uit wanhoop, zond brieven naar Peter waarin hij eistte dat het conflict door een persoonlijk gevecht geregeld zou worden. Deze ging akkoord en Karel keerde terug naar Frankrijk om het duel te regelen. Iedere koning koos zes ridders die een zouden onderhandelen over een plaaste en tijdstip. Het duel werd geregeld voor 1 juni te Bordeaux. Honderd ridders zouden elke kant vergezellen en Edward I van Engeland zou als scheidsrechter optreden. De Engelse koning, op zijn hoede voor de Paus, weigerde elke medewerking. Peter liet Johan van achter Procida in bevel over Sicilië en keerde in vermomming naar zijn eigen koninkrijk terug via Bordeaux. Op zijn hoede voor een vermoedde Franse valstrik kwam hij toe in een Spanje dat zeer getroubleerd was. Gedurende het verblijf van Peter in Frankrijk en Spanje was diens vloot onder bevel van zijn admiraal Roger van Lauria de baas op de Middellandse Zee. Hij onderschepte Karels vloot meerdere malen op volle zee en bracht die zeer aanzienlijke schade toe en veroverde hij Malta voor Aragon. Peter was bezig met binnenlandse problemen op het moment dat de Fransen een invasie aan het voorbereiden waren. He veroverde Albarracín op de opstandige edele Juan Núñez de Lara en vernieuwde de alliantie met Sancho IV van Kastilië. Daarna lanceerde hij een aanval op Tudela om zo een aanval van Filips I van Navarra, zoon van de Franse koning te voorkomen en dat front te beveiligen. Hij riep de Cortes bijeen te Tarragona en Zaragoza in 1283 waar hij zich verplicht zag de Privilegio General toe te staan aan de nieuwgevormde unie van Aragón. Later datzelfde jaar schaart zijn broer Jacobus I van Majorca zich aan de Franse kant en bezorgt hen zo een vrije doorgang naar Aragón en Catalonië. In oktober begint Peter dan met het voorbereiden van de verdediging van Catalonië In 1284 gaf Paus Martinus IV het koninkrijk Aragón aan Karel, Graaf van Valois, zoon van Filips III, en achterneef van Karel van Anjou, koning van Sicilië. Hij gaf zijn toestemming voor een oorlog - kruistocht- om Aragón te veroveren in naam van Karel van Valois. Hierop volgde er een oorlog van Filips III en zijn zoon Karel van Valois met de steun van Jacobus II tegen Peter. Aanvankelijk hadden ze succes maar eind 1285 veranderde dit. De Fransen ondervonden tegenslag want Peter III's admiraal Roger van Lauria versloeg en vernielde de Franse vloot bij de slag van Les Formigues. Tegelijkertijd werd het Franse kamp getroffen door een dysenterie epidemie die ook Filips trof. De Franse troonopvolger Filips begon hierop onderhandelingen met Peter voor vrije doorgang voor de koninklijke familie door de Pyreneeën. De Franse troepen kregen dit niet en werden gedecimeerd in de slag bij Col de Panissars. Filips III stierf op 5 oktober in Perpignan de hoofdstad van Jacobus II en werd begraven te Narbonne. Peter zelf stierf kort erna. Peter was de gelijke van zijn vader in de patronage van kunst en literatuur in tegenstelling tot zijn vader schreef hij vooral poëzie en geen proza. Hij was een grote mecenas van de troubadours en schreef zelf twee sirventesos. Het eerste is in de vorm van uitwisselingen tussen Peter en een zekere Peironet, een jongleur. het tweede vormt een deel van een compilatie van vijf composities van Bernat d'Auriac, Peter de Grote, Pere Salvatge (misschien dezelfde als Peironet), Roger-Bernard III van Foix en een anonieme bijdrager. Alles bij elkaar droeg de oorlog met Filips van Frankrijk en Jacobus van Majorca bij tot veel nieuw materiaal voor nieuwe sirventesos en gedurende deze periode werden de sirventes gebruikt als een handig middel voor politieke propaganda waarin elke kant, direct of allegorisch, zijn zaak voordroeg om sympathie op te wekken ervoor. Peter stierf in1285, hetzelfde jaar als zijn twee koninklijke tegenstanders Karel en Filips. Hij werd begraven in het klooster van Santes Creus. Hij verkreeg absolutie op zijn sterfbed door te verklaren dat zijn veroveringen uitsluitend in de naam van familiale aanspraken geweest waren en nooit tegen de aanspraken van de Kerk gericht. Peter liet Aragón na aan zijn oudste zoon
Alfonso lll was de oudste zoon van Peter III van Aragón en Constance van Sicilië |
Gemaakt: 09-08-05 |