5655 Heerlijkheid Valkenburg (1041 - 1352)

Het Land van Valkenburg was een een zelfstandige heerlijkheid, later graafschap rond Valkenburg. Kern van het Land van Valkenburg vormt de gelijknamige burcht in Valkenburg. De eerste vermelding van Valkenburg is een schenkingsakte uit 1041 van keizer Hendrik lll aan Thibald van Fouron, de eerste Heer van Valkenburg (1041-1106).

Rechts: Land van Valkenburg.

Heren van Valkenburg
Thibald van Fouron 1041-1106
Guda, Eerste Vrouwe van Valkenburg 1106 - 1119
Gosewijn I 1119 - 1128
Gosewijn II 1130 - 1168
Gosewijn III 1170 - 1188
Gosewijn IV 1188 - ?
Dirk I  1212 - 1228
Dirk ll 1228 - 1268
Walram de Rosse 1268 - 1302
Dirk lll 1302 - 1305
Reinoud 1305 - 1333
Dirk lV 1334 - 1346
Jan 1346 - 1352
De heren van Valkenburg waren degenen die hier de kern legden voor een landsheerlijkheid. Gosewijn I, de erste Heer van Valkenburg uit het geslacht Heinsberg, bouwde omstreeks 1115 op de Heunsberg nabij de Geul een kasteel, bestaand uit een enorme woontoren met een afmeting van 12 bij 18 meter. Al in 1122 werd deze vernietigd door een leger van de Duitse keizer Hendrik V die een conflict met Gosewijn had. Op de plek van de verwoeste toren werd door Gosewijn II (1130-1168), de zoon van Gozwijn l, een nieuw kasteel gebouwd. Deze burcht had de vorm van een zware zestienhoekige toren van mergelsteen. De doorsnede van dit bouwwerk was 15 meter en had muren van 2 meter dik. De burcht werd weer omringd met een muur van palissaden. Aan de voet van de burcht ontwikkelde zich een stadje, dat ook de naam 'Valkenburg' zou krijgen. 

Ook Gosewijn II kwam enkele keren in conflict met de Duitse keizer, wat in 1141 resulteerde in de verwoesting van het kasteel en het stadje.

In 1170 overleed Gosewijn II en zijn bezittingen gingen over naar Gosewijn III. Deze had een goede verstandhouding met de toenmalige keizer Frederik Barbarossa en verbleef vaak met hem in Italië. Gosewijn III ontving uiteindelijk de titel van graaf uit handen van de keizer. Het kasteel maakt in deze periode een grote ontwikkeling door. Omstreeks 1200 werd er een tienhoekige toren gebouwd ter vervanging van de veel grotere zestien hoekige toren. De wal van palissaden werd vervangen door een stenen schildmuur en er verschenen tal van andere bijgebouwen op het kasteelterrein. Omstreeks 1250 staat er een complex waar de huidige putkamer, een deel van de huidige kapel en een voorloper van de huidige ridderzaal deel van uitmaken.

 

Gedurende de loop van de 14e eeuw werd het kasteelterrein groter gemaakt door middel van het storten van puin en breidde het complex zich sterk uit. De tienhoekige toren verdween en werd niet meer door een nieuwe donjon vervangen. Hiervoor in de plaats kwam een groot gebouw met twee vleugels omringd door een ruime schildmuur voorzien van twee zware, ronde verdedigingstorens. Buiten de hoofdpoort van het kasteel lag de 'Dwingel'; een spiraalgewijs om de burcht lopende muur die de toegang tot de burcht controleerde.

Gedurende het verloop van de Middeleeuwen wordt het kasteel enkele keren belegerd. In de Tachtigjarige Oorlog wisselde het kasteel enkele keren van bezetter, maar de staatse troepen wisten de burcht in 1644 definitief in handen te krijgen. In december 1672 slaagden Franse troepen het kasteel kortstondig te veroveren, maar zij werden alweer snel verdreven. Onmiddellijk daarna besloot stadhouder Willem III de burcht op te blazen omdat het hem waarschijnlijk niet weer zou lukken om de burcht weer te veroveren. Dit zou de burcht voor Fransen tot een belangrijk bruggenhoofd kunnen dienen. Hierna is de ruïne nooit meer opgebouwd. Slechts deze kasteelruïne, een ronde toren (gedeelte van het huidige kasteel Den Halder), twee van de zes stadspoorten, de Berkelpoort, de Grendelpoort en een deel van de stadswallen zijn nu nog over van de vesting Valkenburg. Bij de brand van 1773 heeft men vele rotsblokken van de kasteelruïne gebruikt om Valkenburg weer op te bouwen.

Het kleine Valkenburg wist zich uiteindelijk als lokale grootmacht niet te handhaven tegen de oprukkende grootmachten Gulik, Gelre, Luik en met name het hertogdom Brabant, waarmee het huis Valkenburg regelmatig conflicten had.  In 1352 stierf de Valkenburgse dynastie uit.

In 1347 werd het tot dan toe zelfstandige Valkenburg door Brabant verkregen. In 1381 werd de hertog van Brabant erkend als graaf van de in 1356 door de keizer tot graafschap verheven heerlijkheid Valkenburg en het Land van Valkenburg.

De drie landjes van Dalhem, 's-Hertogenrade en Valkenburg werden vanuit het Brabantse bestuurscentrum Brussel aangeduid als de Landen van Overmaas, aangezien ze vanuit Brussel aan de overzijde van de Maas gelegen waren. Sittard, Born en Munstergeleen werden in 1400 verkocht aan de hertog van Gulik. Bij het partagetractaat van 1661 wordt Valkenburg verdeeld tussen de Republiek en de Spaanse koning. Het Staatse deel stond bekend als Staats-Overmaze, één van de Generaliteitslanden,

Gemaakt: 19-12-08

colofon