Val van Constantinopel
De stad viel op 29 mei 1453, wat tevens het einde van het Byzantijnse Rijk betekende. De stad werd ingenomen door de Ottomaanse sultan Mehmed II, een gebeurtenis die soms wel wordt beschouwd als het einde van de Middeleeuwen. In de laatste decennia had de hoofdstad van het sterk geslonken Byzantijnse Rijk nog maar ongeveer 50.000 inwoners geteld. Een groot deel hiervan werd na de verovering gedood of als slaaf verkocht.
De val van Constantinopel bracht een vluchtelingenstroom van intellectuelen op gang naar West-Europa, vooral Italië. Deze wordt gezien als een belangrijke factor in de ontwikkeling van de renaissance. Sultan Mehmed II maakte de veroverde stad meteen tot hoofdstad van het Ottomaanse Rijk en de stad leefde onmiddellijk op door het grootse bouwprogramma van de nieuwe heersers. De schitterende Agia Sofia, de oude Byzantijnse kathedraal van de stad, werd verbouwd tot moskee. Ook verrezen er al snel nieuwe grootse moskeen zoals de beroemde blauwe moskee. Tevens werden de vervallen Byzantijnse paleizen hersteld en verrees het nieuwe Topkapi paleis wat de hoofdzetel van de Ottomaanse Sultans werd. Veel volk stroomde toe en de handel trok weer flink aan. De Ottomanen noemden de stad Stamboul of İstanbul, gebruikmakend van de Griekse gebruiksvorm "eis tin Poli" ("naar of in de stad"). Maar officieel gebruikten ze nog steeds "Konstantiniyye" ("Constantijn's stad" of Constantinopel).
|