3409

Constantinopel (1204 - 1453)

Byzantijnse Rijk (1200 - 1300); Byzantijnse Rijk (1300 - 1400); Byzantijnse Rijk (1400 - 1453); Osmaanse Rijk
Kruisvaarders bestormen Constantinopel, schilderij van Eugène Delacroix
In 1204 werd deze bloeiende stad echter ingenomen door de kruisvaarders van de vierde kruistocht en werd ze door hen grondig geplunderd. De meeste in eeuwen verzamelde schatten, waarvan vele nog uit het keizerlijke Rome afkomstig waren, werden naar West-Europa versleept, vernietigd of omgesmolten. De meeste kostbaarheden gingen naar Venetië waar ze heden nog te zien zijn, zoals de bronzen paarden in de San Marco. De Venetianen waren trouwens ook de initiatiefnemers voor deze plundertocht want ze wilden deze gelegenheid aangrijpen om de handelsconcurrentie van Constantinopel uit te schakelen. De stad bleef in Latijnse handen tot 1261 waarna de Grieken erin slaagden de stad weer te heroveren. Sinds deze verovering was de stad flink verarmd en slaagde ze er ook niet meer in om de handelsroutes rond de Zwarte Zee te beheersen, waar vroeger haar grootste inkomsten vandaan kwamen. 

Hiermee begon het verval en er werd niet veel meer gebouwd en hele wijken raakten zelfs verlaten. De gebouwen werden als steengroeve gebruikt. Het enige positieve (voor Europa dan: de Byzantijnen schoten hier natuurlijk niks mee op..) van deze situatie was dat veel Byzantijnse intellectuelen en kunstenaars naar het steeds welvarender wordende Europa trokken, met name Italië, en maakten met hun kennis van de klassieke oudheid mede de Renaissance mogelijk.

Val van Constantinopel

De stad viel op 29 mei 1453, wat tevens het einde van het Byzantijnse Rijk betekende. De stad werd ingenomen door de Ottomaanse sultan Mehmed II, een gebeurtenis die soms wel wordt beschouwd als het einde van de Middeleeuwen. In de laatste decennia had de hoofdstad van het sterk geslonken Byzantijnse Rijk nog maar ongeveer 50.000 inwoners geteld. Een groot deel hiervan werd na de verovering gedood of als slaaf verkocht.

De val van Constantinopel bracht een vluchtelingenstroom van intellectuelen op gang naar West-Europa, vooral Italië. Deze wordt gezien als een belangrijke factor in de ontwikkeling van de renaissance. Sultan Mehmed II maakte de veroverde stad meteen tot hoofdstad van het Ottomaanse Rijk en de stad leefde onmiddellijk op door het grootse bouwprogramma van de nieuwe heersers. De schitterende Agia Sofia, de oude Byzantijnse kathedraal van de stad, werd verbouwd tot moskee. Ook verrezen er al snel nieuwe grootse moskeen zoals de beroemde blauwe moskee. Tevens werden de vervallen Byzantijnse paleizen hersteld en verrees het nieuwe Topkapi paleis wat de hoofdzetel van de Ottomaanse Sultans werd. Veel volk stroomde toe en de handel trok weer flink aan. De Ottomanen noemden de stad Stamboul of İstanbul, gebruikmakend van de Griekse gebruiksvorm "eis tin Poli" ("naar of in de stad"). Maar officieel gebruikten ze nog steeds "Konstantiniyye" ("Constantijn's stad" of Constantinopel).

Constantinopel ca. 1850

Tegen 1600 werd het ruim duizend jaar tevoren gehaalde bevolkingsmaximum van een half miljoen weer gehaald, en zelfs iets overschreden (ca. 600.000). Het was nu een in etnisch en religieus opzicht heel gemengde stad geworden. De meerderheid van de bevolking (ca. 60%) was islamiet en sprak Turks, maar er was ook een grote Griekse bevolkingsgroep (ca. 25 %), die orthodox-christelijk was. Opmerkelijk genoeg hadden de Grieken nog steeds het grootste deel van de handel in handen. De resterende bevolking bestond grotendeels uit joden en Armeniërs.

Gemaakt: 23-06-07

colofon