251 |
Reptielen (Reptilia) |
Klik hier voor het openen van het frame van deze pagina |
![]() |
Reptielen onderscheiden zich van de andere in die tijd levende gewervelde dieren (Vissen en Amfibieën) door hun verhoornde huid en hun eieren met een verhoornde of kalkachtige schaal. Daardoor konden zij zich tot echte landbewoners ontwikkelen. De overgang tussen de Amfibieën en hun evolutionele nakomelingen, de Reptielen, is fossiel minder duidelijk bekend omdat het hoofdverschil tussen Amfibieën en Reptielen niet is gelegen in skeleteigenschappen, maar in de wijze waarop zij zich voortplanten. De eieren van de Amfibieën zijn niet voorzien van een harde schaal. Uit de eieren komen larven die in het water opgroeien en pas na hun gedaanteverwisseling op het land kunnen leven. Bij de Reptielen daarentegen stelt het hardschalige ei het embryo in staat in zijn eigen vloeibare omgeving op te groeien. Nadat de ontwikkeling voltooid is, breekt het dier uit zijn eischaal als een klein, maar volledig gevormd dier. Daardoor kunnen de Reptielen verder verwijderd van grote waterlichamen leven en zich vrijelijk over het landoppervlak bewegen op zoek naar voedsel en geschikte woonplaatsen. De huid bestaat aan de buitenzijde uit een dikke hoornlaag, die verdamping tegengaat. Klier en in de huid ontbreken vrijwel, met uitzondering van muskusachtige attractiestoffen afscheidende klieren bij krokodillen en sommige schildpadden, en stinkklieren in de opening van de cloaca bij sommige slangen. De hoornlaag is door plaatselijke verdikking verdeeld in schilden of plaatjes; als de verdikkingen elkaar dakpansgewijs overlappen, spreekt men van schubben. Het buitenste deel van deze hoornlaag wordt, behalve bij krokodillen en sommige landschildpadden, periodiek afgeworpen: in één stuk bij slangen ( ‘slangenhemd’), in gedeelten bij de andere. In de goed ontwikkelde lederhuid kunnen verbeningen aanwezig zijn, het meest uitgesproken bij de schildpadden met hun rugschild (carapax) en buikschild (plastron); zulke beenschilden zijn dan stevig met de hoornschilden verbonden. Van het skelet vertoont de schedel grote verschillen in bouw. Het schedeldak kan uit aaneengesloten beenderen bestaan (schildpadden) of één of twee openingen (slaapvensters) bezitten, met daaruit resulterende beenbruggen of -bogen (Gr.: apsides) tussen en onder de openingen. Een tot achter in de bek doorlopend gehemelte bezitten alleen de Krokodilachtigen. Bij de Slangen en Hagedisachtigen zijn er twee gewrichten tussen onderkaak en schedel in plaats van één, nl. tussen onderkaak en vierkantsbeen, en tussen vierkantsbeen en schedel. Bij de Slangen zijn bovendien de linker- en de rechterhelften van de kaken niet met elkaar vergroeid. Deze anatomische bijzonderheden maken het wijd openen van de bek mogelijk. De wervel in het gebied van schedel tot staart kunnen alle een paar ribben dragen (slangen), of gedeeltelijk ribloos zijn (de lende- en heiligbeenwervels van krokodillen). Bij schildpadden zijn de rompwervels en de ribben met de carapax vergroeid. Slangen missen een borstbeen. De ledematen staan veel meer naast de romp dan eronder, zodat ze deze niet goed dragen. De voortbeweging is daardoor in beginsel een kronkelbeweging van romp en staart in een horizontaal vlak, behalve bij de schildpadden. Het vergroeien van het rompskelet met het huidskelet bij deze groep ging samen met de verplaatsing van de schoudergordel naar een plaats binnen de ribben: een uitzonderlijke toestand. De aanwezigheid van een rudimentair bekken bij sommige slangen en pootloze hagedisachtigen toont aan dat hun pootloosheid secundair is.De primitiefste reptielen kenmerken zich door een uit een stuk opgebouwde schedel met alleen orbitale- en nasale vensters. De kleine kaakspieren lagen opgesloten in de schedel waardoor de kracht die de kaken konden uitoefenen gering was. Bij latere reptielen ontwikkelde zich slaapvensters hetgeen een efficiëntere werking van de kaken opleverde, deze soort reptielen worden aangeduid als diapsiden. Heden ten dage komt er nog meer één reptielenorde die van de land- en zeeschildpadden (chelonia) voor. Het gebit ontbreekt bij de schildpadden, die in plaats daarvan vaak een scherpe snavelachtige hoornbedekking op de kaken hebben. Tanden in kassen op de kaken hebben alleen de krokodillen. Bij slangen en hagedisachtigen zitten ook tanden op enkele beenderen van het monddak en zijn ze slechts oppervlakkig ingeplant. Meestal zijn reptielen homodont, dwz. dat alle gebitselementen min of meer gelijkvormig zijn. Gespecialiseerde afwijkende tanden zijn bijv. de giftanden van een aantal slangen (zie gifslangen). Het spijsverteringskanaal is afwijkend bij de krokodillen, die een spiermaag bezitten, maar geen blindedarm, die de meeste andere groepen wel hebben. De dikke darm komt uit in de cloaca. De uitscheiding van urine kost weinig water, doordat het stikstofafvalproduct vnl. het urinezuur is, dat gemakkelijk (wi]t) uitkristalliseert. De ademhaling geschiedt met longen, bij sommige in het water levende schildpadden ondersteund door huidademhaling door de sterk doorbloede wand van bek en cloaca, waarin water kan stromen. Bij de meeste reptielen bestaat het hart uit twee boezems en twee niet geheel van elkaar gescheiden kamers; alleen bij de krokodillen is het tussenschot compleet. Toch vindt ook bij deze groep enige vermenging van zuurstofrijk en zuurstofarm bloed plaats, doordat de uit de kamers komende slagaders aan hun basis niet geheel van elkaar gescheiden zijn. De recente soorten van de Reptielen zijn in principe ectotherm ( ‘koudbloedig’), wat wil zeggen dat de lichaamstemperatuur afhankelijk is van de temperatuur van de omgeving. De hersenen zijn het hoogst ontwikkeld bij de Krokodilachtigen: zij zijn de eerste (laagste) gewervelde dieren met een echte hersenschors (neopallium). Wat betreft de zintuigen: de ogen zijn meestal goed ontwikkeld, behalve bij sommige gravende vormen. Slangen en sommige hagedisachtigen hebben vergroeide en doorzichtig geworden oogleden. Het trommelvlies van het gehoororgaan ligt meestal aan het oppervlak, maar ontbreekt bij slangen. De reuk speelt bij vele reptielen een belangrijke rol. Een tot de reptielen beperkt reuk-smaakorgaan is het orgaan van Jacobson in het monddak. De voortplanting vindt in principe plaats door op het land gelegde dooierrijke eieren, waaruit geheel ontwikkelde jongen komen. De eieren hebben een schaal die te sterke uitdroging voorkomt. Een dergelijke schaal maakt inwendige bevruchting noodzakelijk. De brughagedis heeft geen apart copulatieorgaan. Krokodillen en schildpadden hebben een penis. Het aantal eieren per legsel varieert van enkele honderden bij zeeschildpadden tot twee bij sommige hagedisachtigen. Van de Squamata is een aantal soorten ovovivipaar: de vrouwtjes houden de eieren zo lang in het lichaam dat zij onmiddellijk na het leggen uitkomen. Echte viviparie, dwz. met een placenta-achtige verbinding tussen moeder en embryo, komt o.a. voor bij de Hagedisachtigen (enkele soorten van de Skinken). Bij enkele hagedisachtigen is parthenogenese aangetoond: er zijn alleen wijfjes, waarvan de eieren zich zonder bevruchting ontwikkelen. Bron: Reptielen (Worldwidebase) |
Laatst bijgewerkt: 04-12-06 |