Oermossen waren primitieve mosachtige plantjes die ontstaan zijn uit de Groenwieren en leken op sommige zogenaamde 'thalleuze' (= bladvormige) levermossen van tegenwoordig (bijv. Parapluutjesmos). Ze hadden een op de grond liggende bladachtige structuur (thallus) waarop mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen gevormd werden. Mannelijke voortplantingsorganen (antheridia) produceerden beweeglijke mannelijke geslachtscellen (spermatozoïden), vrouwelijke voortplantingsorganen (archegonia) produceerden onbeweeglijke vrouwelijke geslachtscellen (eicellen). Vanuit bevruchte vrouwelijke geslachtscellen groeiden - bovenop deze 'geslachtscellenplant' ofwel gametofyt - gesteelde sporenkapsels (sporogonen) met sporen in sporendoosjes (sporangia).
Oermossen hadden geen duidelijke vaatbundels. Om die reden ligt het voor de hand dat Oermossen rechtstreeks van bepaalde Groenwieren afstammen. Voorheen heeft men echter wel gedacht dat ze van de Vroege vaatplanten zouden afstammen.
Tot deze groep worden Sporogonites en Torticaulis gerekend, beide bekend uit het Vroeg-Devoon. Mogelijk hoort ook de precambrische Longfengshania hiertoe. Het is overigens omstreden of alle mosgroepen van tegenwoordig (Levermossen, Bladmossen en Hauwmossen) wel van deze Oermossen afstammen. Fossiele bewijzen daarvoor ontbreken geheel. Toch wijst modern onderzoek aan ribosomaal RNA en mitochondriaal DNA erop, dat alle mossen waarschijnlijk wel een gemeenschappelijke vooroudergroep hebben gehad, waaruit ook de andere landplanten zijn voortgekomen. Bron: Natuurinformatie - Oermossen
|