143 Mossen (Bryophyta)

Groenwieren
Mossen zijn primitieve sporenplanten die zijn ontstaan zijn in het Siluur. De eerste landplant wordt verondersteld een Levermos te zijn geweest, er zijn fossielen gevonden van levermossen van 475 miljoen jaar geleden. Mossen missen onder meer vaatbundels en wortels. Mossen zijn kleine altijdgroene planten. Ze hechten zich vast met wortelachtige structuren die rhizoiden worden genoemd. In tegenstelling tot de echte wortels van andere planten, worden rhizoiden niet gebruikt voor opname van voedingsstoffen. Mossen worden onderverdeeld in vier groepen: de Bladmossen, Hauwmossen en twee groepen Levermossen.

Mossen - Wikipedia

1e onderafdeling: Levermossen
2e onderafdeling: Bladmossen

Oermossen waren primitieve mosachtige plantjes die ontstaan zijn uit de Groenwieren en leken op sommige zogenaamde 'thalleuze' (= bladvormige) levermossen van tegenwoordig (bijv. Parapluutjesmos). Ze hadden een op de grond liggende bladachtige structuur (thallus) waarop mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen gevormd werden. Mannelijke voortplantingsorganen (antheridia) produceerden beweeglijke mannelijke geslachtscellen (spermatozoïden), vrouwelijke voortplantingsorganen (archegonia) produceerden onbeweeglijke vrouwelijke geslachtscellen (eicellen). Vanuit bevruchte vrouwelijke geslachtscellen groeiden - bovenop deze 'geslachtscellenplant' ofwel gametofyt - gesteelde sporenkapsels (sporogonen) met  sporen in sporendoosjes (sporangia). 
Oermossen hadden geen duidelijke vaatbundels. Om die reden ligt het voor de hand dat Oermossen rechtstreeks van bepaalde Groenwieren afstammen. Voorheen heeft men echter wel gedacht dat ze van de Vroege vaatplanten zouden afstammen.
Tot deze groep worden Sporogonites en Torticaulis gerekend, beide bekend uit het Vroeg-Devoon. Mogelijk hoort ook de precambrische Longfengshania hiertoe. Het is overigens omstreden of alle mosgroepen van tegenwoordig (Levermossen, Bladmossen en Hauwmossen) wel van deze Oermossen afstammen. Fossiele bewijzen daarvoor ontbreken geheel. Toch wijst modern onderzoek aan ribosomaal RNA en mitochondriaal DNA erop, dat alle mossen waarschijnlijk wel een gemeenschappelijke vooroudergroep hebben gehad, waaruit ook de andere landplanten zijn voortgekomen.
Bron: Natuurinformatie - Oermossen

Levermossen zijn planten die bestaan uit op de grond liggende lapjes blad (thallus, bij thalleuze levermossen) of uit stengeltjes met blaadjes (bij folieuze levermossen). In dit laatste geval hebben de stengels vrijwel altijd een duidelijke boven- en onderzijde. De blaadjes hebben geen nerven. Op het thallus dan wel de bebladerde stengeltjes ontstaan al dan niet gesteelde mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen (antheridia resp. archegonia). Bevruchte eicellen groeien (vanuit de archegonia) uit tot zeer kleine, gesteelde sporenkapsels (sporogonen) die veelal met kleppen openspringen. Sommige levermossen kunnen zich ook ongeslachtelijk voortplanten door broedknoppen (gemmae), die gevormd worden in beker- of flesvormige orgaantjes. Levermossen komen vooral voor op vochtige plaatsen, soms in zoet water.
Levermossen zijn met zekerheid bekend sinds het Laat-Devoon (ca. 375-360 miljoen jaar geleden).  (Natuurinformatie - Levermossen)

 

Links: Levermos

De levermossen (Hepaticae of Marchantiopsida) zijn een vrij soortenrijke groep (in de orde van grootte van tienduizend soorten) die vooral in de tropen voorkomen. Zij houden van een vochtige omgeving en vele zijn epifyten (planten die op andere planten groeien zonder hieraan voedsel te onttrekken (in tegenstelling tot parasieten) in tropische regenwouden. Ze horen tot de planten die zich niet vermeerderen door middel van zaad (het zijn "lagere planten"). Ook hebben zij geen transportsysteem voor water (het zijn géén vaatplanten). Marchantiopsida - Wikipedia
Gemaakt: 18-11-06