Een Bunzing (Mustela putorius) is 45-65 cm lang en heeft een staart van 18 cm. De pels is bruinzwart met een lichtere ondervacht. Opvallend is het witte gezicht met een donker masker rondom de ogen. De bunzing leeft meestal in de omgeving van water in een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden, bijvoorbeeld in oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden. Een bunzing woont in een hol van een konijn, mol, vos, das of onder steenhopen, houtmijten of in holle bomen. 's Winters wordt de bunzing ook wel in de buurt van boerderijen gezien. Ze eten allerlei dieren en zijn niet kieskeurig: konijnen, ratten, muizen, mollen, vogels, reptielen, amfibieën en insecten.
De dikke vacht maakt bunzings bijna ongevoelig voor beten van vijanden zoals honden, vossen of slangen. Bunzings zijn zeer lenig. Bij plotseling gevaar gaan ze blazen en trekken ze hun geurklieren samen, waardoor ze een straal melkachtig wit vocht 50 cm naar achteren spuiten. Het is een bijtend en stinkend vocht dat echt als afschrikmiddel gebruikt wordt. De jongen, vier tot acht stuks, worden naakt en blind geboren. Na 20 dagen openen ze de ogen en ontstaat een grijze vacht. De snuit en de oorranden worden wit. Na een jaar zijn ze volwassen en aan het einde van het tweede levensjaar, geslachtsrijp. |
 |