512

Andrewsarchidae

Placentale zoogdieren Laurasiatheria Condylarthra Arctocyonidae en Meonichiden Mesonichiden Andrewsarchidae

Andrewsarchus (= "beest van Andrew", naar de paleontoloog Ray Chapman Andrews) was het grootste vleesetende landzoogdier ooit. Het had een schedel van ca. 83 cm, was ongeveer 1 meter 80 hoog en 5 meter lang. Langs de waterkant zocht hij naar prooi en aas. Met zijn enorme kaken lukte het hem om schildpadden te kraken en kleine krokodillen te vangen.

Er is maar weinig bekend over de Andrewsarchus. Hij behoort tot een vreemde groep vleesetende hoefdieren. Hoewel ze kleine hoefjes hadden in plaats van klauwen, hadden deze dieren enorm lange en krachtige kaken ontwikkeld met vervaarlijke tanden. Ironisch genoeg leefden ze van de aan hen verwante plantenetende hoefdieren, die het in deze periode ook voor de wind ging.

De enige resten die we van de Andrewsarchus hebben, zijn een schedel en een paar fossiele botfragmenten. Het vermoeden is echter dat hij sterk leek op een andere, bekendere groep plantenetende hoefdieren, de Mesonychiden. Doordat deze dieren kleine hoeven hadden in plaats van scherpe klauwen en zulke sterke kaken, denken sommigen dat het aaseters waren die leefden van aangespoelde kadavers of schildpadden. Hun tanden vertonen sporen van aanzienlijke slijtage en waren niet alleen bedoeld voor het verscheuren van vlees, zoals die van de meeste andere carnivoren.

Van dit dier is alleen maar een schedel zonder onderkaak bekend, maar dat is genoeg om te zien dat hij familie was van de Mesonychiden. De Mesonychiden zijn een van de bizarste roofdieren die ooit hebben geleefd, ze leken op grote honden maar in feite waren het hoefdieren! Voor ons klinkt dat vreemd, omdat alle hoefdieren van tegenwoordig planten -en graseters zijn. Nog vreemder is dat, hoewel ze dus tot de hoefdieren behoorden, ze geeneens hoeven hadden! Andrewsarchus had aan elke poot vijf hoefachtige tenen, net als de paarden van die tijd. De paarden, kamelen, runderen en andere hoefdieren evalueerden in de loop van miljoenen jaren uit deze tenen één enkele teen met een grote nagel, een hoef dus...
Van de Mesonychiden, en dus ook van Andrewsarchus, wordt gedacht dat ze aaseters waren. Volgens sommigen zouden ze niet snel genoeg zijn om snelle prooien te grijpen, en zouden de hoefachtige nagels niet geschikt zijn om een prooi te doden. Toch is het maar de vraag of een roofdier, zo groot als een paard en een ton zwaar, zich kon voeden met wat restjes. Immers, hij had niet voor niks ijzersterke, 1 meter lange kaken, en misschien had hij geen klauwen nodig om te kunnen jagen.

Aan de andere kant, de sterke kaken kunnen ook een aanpassing zijn om botten te kraken zoals een hyena. En hoewel hyena's bij lange na niet alleen maar aaseters zijn, zijn ze wel gespecialiseerd in het kraken van botten om het voedzame botmerg te bereiken. In de tijd dat Andrewsarchus leefde, het laat Eoceen, maakte de aarde een moeilijke tijd door, een klimaatschaos. 

Links: Andrewsarchus

Een soort van gigantische El Niño waarbij 40% van alle levende soorten werd uitgeroeid en de overige flinke klappen kregen. In zo'n tijd zal het de aaseters natuurlijk voor de wind zijn gegaan.
Tenslotte is Andrewsarchus verwant aan de walvissen, het gebit van hem en de Mesonychiden lijken sterk op die van vroege walvissen als Basilosaurus en Zygorhiza. Walvissen zijn carnivoren, dus als je bedenkt dat zij vroeger ook hoefdieren waren is het idee van vleesetende hoefdieren zo gek nog niet.

Laatst bijgewerkt: 06-11-02

colofon