|
De West-Europeanen hadden wel behoefte aan steunpunten in het Caribisch gebied. De Grote Antillen en het vasteland waren echter stevig in Spaanse handen. Dat ondervond de WIC bij een poging in 1625 om de steden El Moro en San Juan op Puerto Rico in te nemen.
In datzelfde jaar lukte het de WIC evenmin het eiland Margarita, voor de kust van Venezuela, te veroveren. De West-Europeanen richtten zich daarom vooral op de Kleine Antillen, die door de Spanjaarden niet of nauwelijks waren gekoloniseerd.
De eerste niet-Spaanse kolonisatie in het Caribisch gebied was de vestiging van Fransen en Engelsen op het Bovenwindse eiland St. Kitts (1625). De WIC nam de Bovenwindse eilanden Sint Maarten (1630), Sint Eustatius (1635) en Saba (1640) in bezit. Op geen van deze drie eilanden werden bewoners aangetroffen.
Op Sint Eustatius, in bezit genomen door de Zeeuwse Kamer van de WIC, vestigden zich zo'n vijftig kolonisten, die tabak en later suikerriet gingen verbouwen. Indianen van andere eilanden en zelfs van het vasteland werden als 'rode slaven' overgebracht naar Sint Eustatius om op de plantages te werken. De invoer van slaven uit West-Afrika maakte aan het verschijnsel 'rode slaven' omstreeks 1650 een einde. Over de levensomstandigheden van de 'rode slaven' op Sint Eustatius is verder weinig bekend.
Vanaf 1678 vielen Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten rechtstreeks onder de WIC, in de praktijk de Kamer van Zeeland.
Het hoogste gezag op de Bovenwinden kwam nu in handen van een commandeur, die zetelde op Sint Eustatius. Saba en Sint Maarten hadden ieder hun eigen vice-commandeur, ondergeschikt aan de commandeur op Sint Eustatius. Aruba en Bonaire hadden overigens ook ieder hun eigen commandeur, maar die was ondergeschikt aan de directeur op Curaçao.
Op 3 februari 1781, tijdens de Vierde Engelse Oorlog verschenen ruim twintig Engelse oorlogsschepen voor de Oranjebaai op St Eustacius. Commandeur De Graaff, die nog niet van de Engelse oorlogsverklaring op de hoogte was, maar wel zag dat hij met een grote overmacht werd geconfronteerd, gaf het eiland over aan de Engelse admiraal Rodney. De Engelsen confisqueerden alle schepen in de haven, de inhoud van alle pakhuizen en veel particuliere bezittingen en konden zelfs een vloot van 24 vrachtschepen die zojuist met bestemming Nederland vertrokken was, achterhalen en buitmaken. Rodney wist de verovering weken lang geheim te houden zodat hem nog zo'n 150 schepen, de helft Amerikaanse, in handen zeilden.
Tien maanden later verdreven Franse troepen, bondgenoten in de Zeeoorlog tegen Engeland, het op Sint Eustatius achtergebleven Engelse garnizoen.
Bij de vrede in 1784 keerde het Nederlands bestuur terug. De handel van Sint Eustatius kon zich herstellen, maar bereikte nooit meer de vroegere hoogte, hoewel het inwonertal nog sterk toenam: van ruim drieduizend in 1779 tot bijna achtduizend in 1790. In 1779 was ongeveer de helft van de bevolking slaaf, in 1790 tweederde.
De Bataafse Republiek was vanaf haar ontstaan in 1795 als bondgenoot van Frankrijk in oorlog met Engeland. De oorlog werd ook in West-Indië uitgevochten. Het betekende het einde van de handel van Sint Eustatius.
Dit eiland en de twee andere Bovenwindse eilanden kwamen in de periode 1795-1816 achtereenvolgens onder Frans, Engels, Bataafs en weer Engels bestuur. In 1816 was de bevolking afgenomen tot 2668 personen: 507 blanken. 336 vrije kleurlingen en 1748 slaven.
De ontwikkelingen in de slavengemeenschap van Sint Maarten zijn na 1838 heel anders gelopen dan op de Benedenwindse eilanden. Dit kwam vooral door de nabijheid van de Britse en Franse kolonies. Bij de vrijverklaring van de slaven in de Britse kolonies in 1838 zagen de slaveneigenaren op Sint Maarten de bui al hangen. Meer dan honderd slaven vluchtten in de periode 1838-1844 naar de Britse kolonies Anguilla en St. Kitts.
Uit angst voor nog meer economisch verlies vroegen de eigenaren de Nederlandse koning Willem II in 1844 om de onmiddellijke emancipatie van hun slaven en een schadeloosstelling per slaaf.
Een andere reden voor dit verzoek was het toenemend verzet van de slaven die erop rekenden dat ook zij gauw hun vrijheid zouden krijgen. Het verzoekschrift vond geen instemming bij de gouverneur-generaal, noch bij de minister van koloniën. De Nederlandse autoriteiten waren bang voor onrust onder de slaven in de andere Nederlandse kolonies als op dit verzoek ingegaan werd.
Wel spoorde de Nederlandse regering de plaatselijke autoriteiten en eigenaren op Sint Maarten aan de levensomstandigheden van de slaven te verbeteren.
Na de Februarirevolutie van 1848 in Parijs werden de geruchten over een aanstaande emancipatie in de Franse kolonies steeds sterker. Weer vroegen de slaveneigenaren van Sint Maarten speciale aandacht voor hun problemen. Slaven op het Nederlands deel van het eiland zouden in de toekomst gemakkelijk naar de Franse kant kunnen vluchten.
De meesters benadrukten dat de situatie inmiddels onhoudbaar was geworden. Voor het onderdrukken van een eventuele slavenopstand ontbrak namelijk een 'adequaat garnizoen'.
Na het bekend worden van de emancipatie in de Franse kolonies op 28 mei 1848 kwamen de slaven op Nederlands Sint Maarten in actie. Zij staakten hun werkzaamheden voor de meesters; een aantal vluchtte naar het Franse deel. De Franse autoriteiten weigerden de gevluchte slaven uit te leveren. De Nederlandse slaveneigenaren vreesden een algemene opstand.
Onder dwang van de hectische omstandigheden kwamen de grootste slaveneigenaren op 1 juni 1848 in het Raadhuis van Philipsburg bijeen en legden in een procesverbaal vast dat zij hun slaven tot de emancipatie door de Kroon als vrije arbeiders zouden behandelen en arbeidscontracten met hen zouden afsluiten. Men verzocht gezaghebber Van Romondt dit aan de Koloniale Raad voor te leggen.
Op 3 juni ging de Raad akkoord. Op 7 juni werden de slaven via een proclamatie op de hoogte gebracht. Alle strafwetten die van toepassing waren op slaven, werden ingetrokken. Voorts hoopte de Raad op een gunstig besluit van de Koning die uiteindelijk over de emancipatie moest beslissen.
In een begeleidend schrijven van 9 juni 1848 aan de Koning schetste de planter R.R. Richardson de penibele omstandigheden: '... in plaats van vrede en harmonie in deze kolonie, ziet men steeds meer ongeduld bij de negerbevolking, die er nauwelijks toe te brengen is, aan te nemen dat onze geliefde Koning het bevel tot emancipatie nog niet verzonden heeft.'
|