2634

Leenheren en leenmannen (vazallen)

De sterke hiërarchische structuur was kenmerkend voor het leenstelsel. Daarbij beloofden de onderdanen, de vazallen, hun heer trouw en kregen in ruil daarvoor militaire bescherming van hun heer. De vazal had vooral tot taak zijn heer in diens oorlogen te steunen met wapens en manschappen en hem met raad en daad bij te staan. Zijn voornaamste taak was te zorgen voor de verdediging tegen vijanden die het land wilden veroveren, tegen rovers en tegen plunderaars. Zij moesten daarom een leger op de been brengen van gewapende ridders te paard die de met hooivorken en lansen bewapende boeren moesten aanvoeren. Bij een natuurramp (bijv. een overstroming) of een oorlog moest hij de mannen in zijn gouw oproepen en de koning te hulp komen. Verder moest de graaf in naam van de koning de gouw besturen. Hij moest ervoor zorgen dat de tolgelden werden geïnd van de handelaren die door het gebied trokken, de wegen werden onderhouden en dat er recht gesproken werd over de mensen die de wetten hadden overtreden. 

De leenmannen waren graaf, hertog of bisschop. Vaak gaven die op hun beurt land in leen aan anderen. Zij waren dus zowel leenman als leenheer. Zij  werden meestal gekozen uit één van de grootgrondbezitters van de streek. Meestal was dat een Frank, maar soms ook een Fries die Christen was geworden en "dus betrouwbaar was". Een leenman kreeg zijn gebied in leen en werd er dus geen eigenaar van. Hij moest beloven dat het land na zijn dood weer in het bezit kwam van zijn heer. 

Maar aan zo'n belofte wilde lang niet iedereen zich houden. Soms gingen de leenmannen of hun zonen elkaar te lijf met hun legertjes. Wie de meeste ridders had, won de strijd meestal. Tegen de ridders te paard konden gewone soldaten immers niet op. De leenmannen moesten deze ridders met hun paarden goed belonen, want anders liepen zij over naar een andere heer. Om hen te kunnen blijven onderhouden moesten de onderdanen van de graaf steeds meer belasting betalen. 

De belangrijkste taak van de leenman (graaf) was het bewaren van de orde en de vrede in hun gebied en het organiseren van de plaatselijke verdediging. Daarvoor beschikte hij echter maar over een paar ridders van zijn lijfwacht. Meer kon hij met zijn landgoed niet onderhouden. De rest van de verdedigingsstrijdmacht bestond uit een groep goed getrainde boeren. In tijden van oorlog moesten de leenmannen bovendien de weerbare mannen in hun gebied oproepen en aan het hoofd van de heerban het koninklijke leger bijstaan. Voorts moesten de leenmannen zorgen voor de naleving van de plaatselijke wetten. Daarbij ging het vooral om een onbelemmerde voortgang van de noodzakelijke arbeid op het landgoed: de bewerking van de akkers. Opzichters van de leenmannen zagen erop toe dat het werk op de velden goed werd uitgevoerd. Op gezette tijden moesten de leenmannen een volksrechtbank bijeenroepen en erop toezien dat de gevelde vonnissen ook werkelijk werden uitgevoerd. Zij traden bij de rechtszittingen op in de functie van aanklager, president en politieman. Alleen bij zware misdrijven had de leenheer het recht om vonnis ter wijzen.  Tenslotte was de taak van de leenmannen om de tollen en andere baten voor de koning te innen. 

Bij ieder graafschap hoorden enkele domeinen om de graaf te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud. Verder mocht de leenman in zijn gebied van zijn onderdanen belastingen innen, in de vorm van producten of in geld. Omdat dat in de ogen van de graaf meestal meestal niet genoeg was, probeerden hij overal geld uit te slaan. Zo mochten de boeren het graan van hun akkers alleen malen in de dorpsmolen en hun broden alleen laten bakken in de dorpsoven. Tegen flinke betaling natuurlijk! Ook om te mogen trouwen en zelfs voor een begrafenis moest worden betaald. De bezitting kon, als deze goed bestuurd werd, zichzelf onderhouden. Er was dan ook nauw contact nodig met de omgeving. Soms werden er wel eens een paar mannen naar en naburig dorp gestuurd om een overschot aan vee te verkopen of om een last zout te kopen.

laatst bijgewerkt: 19-05-02

colofon