5152

Kloosters

Door de dicht bijeengelegen stenen gebouwen leek een middeleeuws klooster op een kleine stad. Buiten de muren verzorgden boeren het land en de wijngaarden. 

Daarbinnen zwoegden de monniken boven manuscripten en vervaardigden zij meubelen, textiel en gewijde voorwerpen. ofschoon het een vreedzame gemeenschap was, was het klooster met zijn schatten niet gevrijwaard voor aanvallen. Daarom was het vaak versterkt. Het middelpunt van het kloosterleven was de abdijkerk. 

 

Het voornaamste binnenhof werd omgeven door een kloostergang, waar de monniken konden mediteren. Verder waren er in het klooster verschillende gebouwen waarin zich bevonden: de eetzaal, de slaapzaal, een ziekenzaal, een school, een bakkerij, een wijnkelder, een grote stal, gastenverblijf, voorraadschuren en latrines. 

Een gemiddeld klooster herbergde zo'n 100  monniken. daarnaast werkten er in het klooster ca. 100 ambachtslieden en arbeiders en bood het klooster onderdak aan zo'n 200 reizigers en bezoekers.

In het klooster van Cluny in Bourgondië (Frankrijk) kwam een beweging op gang die streefde naar een zuivere toepassing van de regel van Benedictus, om zo het verval in de Kerk tegen te gaan. Een aantal bekwame abten maakte Cluny bijzonder populair. Zo populair dat er al gauw overal in Europa 'filialen' kwamen. Aan het eind van de 11de eeuw waren er in Europa zo'n 2000 kloosters met Cluny verbonden. De hervormingen van de cluniacenzers binnen de kloosters versterkten de Kerk zodanig dat ook daarbuiten orde op zaken kon worden gesteld.
De cluniacenzer kloosterhervormingen gingen niet iedereen ver genoeg. De kloosters van Cluny waren nog altijd rijk, naast het bidden werkten de monniken niet en ze aten overvloedig. Van echte versterving was dus nog lang geen sprake.
In het begin van de 12de eeuw ontstonden er daarom weer nieuwe kloosterorden die nog veel verder wilden terugkeren naar de oorspronkelijke idealen van armoede, eenzaamheid en arbeid. De bekendste van deze orden zijn die van de Kartuizers en van de Cisterciënzers.

 

"De kerk fonkelt van alle kanten, maar de armen leven in ontbering; haar stenen zijn met goud bedekt, maar haar kinderen hebben niets om zich mee te kleden; de liefhebbers vinden in de kerk genoeg om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, maar de armen vinden er niets om hun ellende mee te verlichten", aldus Bernard van Clairvaux, de leidende figuur uit de begintijd van de orde van Cîteaux (=Cisterciënzerorde).

Links: In een middeleeuws klooster, schoolplaat getekend door Isings

 

Na omstreeks 1200 ontstonden er nieuwe kloosterorden: Franciscus van Assissi (1181 of 1182-1226) stichtte de orde der Franciscanen. Zijn volgelingen schonken al wat zij bezaten aan de armen en gingen voortaan als bedelmonniken door het leven. Zij woonden niet langer opgesloten in een klooster, maar moesten erop uittrekken om het geloof onder de mensen te prediken. Ook Dominicus (ca. 1170-1221), de stichter van de orde der  Dominicanen, wilde dat de kloosterlingen zich niet langer afsloten van de buitenwereld, maar gingen preken onder het volk.

rechts: Dominicus

laatst bijgewerkt: 27-06-04

colofon