5094 | Benedictus van Nursia (ca. 480 - ca. 547) |
![]() |
Benedictus van Nursia werd ca. 480 in Italië geboren als zoon van een vrome aristocraat. Als jongeman leefde hij een streng kluizenaarsleven in Subiaco, in de Appenijnse heuvels ten oosten van Rome. Om ordening te brengen onder zijn vele volgelingen, stichtte hij twaalf kloosters, ieder voor twaalf monniken en een abt. De monniken moesten leven volgens de regels die voor een deel naar eigen inzichten had opgesteld en deels ook had overgenomen van zijn voorgangers Augustinus, Cassianus, Basilius en Pachomius. De monniken moesten zich onderwerpen aan een evenwichtige, dagelijkse routine van gebed en lichamelijke arbeid. Door te werken als boeren en ambachtslieden moesten zij zich voorzien hun dagelijkse, zeer eenvoudige, levensbehoeften. De monniken kozen hun eigen abt en dienden hem te gehoorzamen in alle wereldse en geestelijke zaken. In de gelofte die de monniken aflegden moesten zij beloven tot hun dood te leven in armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. | ![]() |
![]() |
In 529 stichtte hij op de Monte Cassino, een heuveltop tussen Rome en Napels, het klooster dat bekend stond als het eerste Benedictijner klooster. en daar schreef hij zijn regel. Alles schreef Benedictus voor: de tijden van voor gebed en werk, zelfs de hoeveelheid eten en drinken wordt aangegeven.
Een monnik mocht niets in eigendom bezitten en kreeg naar behoefte. Niemand had een vaste taak, zodat niet één persoon prat kon gaan op een prestatie en hoogmoedig werd. Iedereen had dezelfde dagindeling en droeg dezelfde kleren. Van de eerste kloosters die door Benedictus' volgelingen werden gesticht ontkwamen er slechts een of twee aan het oorlogsgeweld in de tweede helft van de zesde eeuw. Nadat Benedictus in 580 voor de Lombardische plunderaars was gevlucht, stichtten de monniken van Monte Cassino een nieuwe gemeenschap in Rome. Een van hen werd later (in 590) paus en werd bekend als |
Benedictus wordt algemeen beschouwd als vader van het kloosterleven in de Latijnse (westerse) Kerk. De enige authentieke bron voor het leven van Benedictus is het tweede boek van de Dialogen van paus Gregorius de Grote (540 – 604), een werk dat helaas niet bijzonder betrouwbaar genoemd kan worden. De heilige Benedictus van Nursia werd in of in de buurt van het jaar 480 geboren in het stadje Nursia of Norcia, het tegenwoordige Norcia in de buurt van Perugia in Umbrië als zoon van een vrome aristocraat. Zijn zus (mogelijk zelfs zijn tweelingzus) was de heilige Scholastica. De ouders van Benedictus en Scholastica waren van adel en verhuisden met hun jonge kinderen naar Rome. Daar schoof Benedictus op 14-jarige leeftijd zijn studieboeken van zich af om vervolgens zijn luxueuze woning te verruilen voor een spelonk in Subiaco in de Appenijnse heuvels ten westen van Rome, waar hij temidden van andere kluizenaars een streng kluizenaarsleven leidde. Deze kluizenaars kozen Benedictus tot leider van de kolonie in Vicovaro, en later overste van het klooster Santo Speco. Dat liep echter niet goed af. Benedictus was te streng en maakte zich al snel gehaat bij zijn eigen achterban. De monniken kregen het zelfs zo benauwd dat zij hun overste probeerden van het leven te beroven. Zij brachten hem een beker met vergiftigde wijn, maar toen hij die zegende (de handen vouwde), brak de beker in stukken. Daarom wordt hij in de kunst veelal afgebeeld met een beker in de hand waaruit een slang tevoorschijn komt. Volgens een andere versie van hetzelfde verhaal, kreeg Benedictus verfigtigd brood aangereikt. Een plotseling opdoemende raaf wist het brood echter weg te grissen vóór Benedictus kon toetasten. Niettemnin gaf Benedictus zijn leiderschap op. Met enkele trouwe volgelingen (12 stuks) trok hij zich opnieuw terug in de wildernis van Subiaco. Na een aantal jaren probeerde Benedictus het opnieuw. Op de berg Cassino (nu Monte Cassino/Montecassino), een heuveltop tussen Rome en Napels, stichtte hij in 529 een klooster dat wereldfaam zou verwerven en werd hij de eerste abt van de orde der Benedictijnen. Beroemde volgelingen waren onder andere de heilige Maurus en de heilige Placidus. |
![]() |
![]() |
Er bestaat enige wetenschappelijke twist over het auteurschap van de Regel der Benedictijnen, maar velen gaan er van uit dat slechts een streng leidsman als Benedictus een dergelijk doortimmerd werk te boek heeft kunnen stellen. De monniken moesten zich onderwerpen aan een evenwichtige, dagelijkse routine van gebed en lichamelijke arbeid. Een bekend principe uit de Regel is de driedeling: acht uur bidden, acht uur werken, acht uur slapen en al even bekend is het citaat: “Ora et labora” (Bid en werk). |
Alles schreef Benedictus voor: de tijden van voor gebed en werk, zelfs de hoeveelheid eten en drinken wordt aangegeven. Door te werken als boeren en ambachtslieden moesten zij zich voorzien hun dagelijkse, zeer eenvoudige, levensbehoeften. Een monnik mocht niets in eigendom bezitten en kreeg naar behoefte. Niemand had een vaste taak, zodat niet één persoon prat kon gaan op een prestatie en hoogmoedig werd. Iedereen had dezelfde dagindeling en droeg dezelfde kleren |
![]() |
De monniken kozen hun eigen abt en dienden hem te gehoorzamen in alle wereldse en geestelijke zaken. In de gelofte die de monniken aflegden moesten zij beloven tot hun dood te leven in armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. De monniken moesten zich toeleggen op 'ora et labora', waarmee het bidden en de handenarbeid bedoeld wordt. Het bidden werd gedaan door acht maal per dag deel te nemen aan het koorgebed. Ten slotte moesten de monniken zich bezighouden met de lectio divina, het mediterend lezen van de Bijbel en de Kerkvaders. Om ordening te brengen onder zijn vele volgelingen, stichtte hij twaalf kloosters, ieder voor twaalf monniken en een abt. De monniken moesten leven volgens de regels die voor een deel naar eigen inzichten had opgesteld en deels ook had overgenomen van zijn voorgangers Augustinus, Cassianus, Basilius en Pachomius. De wonderverhalen over Benedictus zijn talrijk. Hij genas zieken en wekte zelfs doden op. Hij kon in de toekomst kijken niets bleef voor hem verborgen. Eens werd hij op de proef gesteld door Totila, de koning van de Ostrogoten (541 - 552). Deze kleedde zijn lijfwacht Riggio in koninklijk gewaad en stuurde hem met pracht en praal naar het klooster van Benedictus. De abt doorzag het bedrog onmiddellijk en riep de valse koning al vanuit de verte toe: “Mijn zoon, leg die klederen af, want zij behoren u niet!” Nu haastte de echte Totila zich naar Montecassino, wierp zich voor Benedictus op de grond en smeekte om vergiffenis. De strenge kloosteroverste verweet de ostrogotische koning zijn barbaarse daden en deed hem een voorspelling. “Gij zult Rome binnenrukken en negen jaren heersen, maar in het tiende jaar zult gij sterven.” Die voorspelling kwam uit: tien jaar na de verovering van Rome sneuvelde Totila tegen de Byzantijnse veldheer Narses. Men neemt aan dat Benedictus in of rond het jaar 547 te Montecassino is gestorven. Toen de Longobarden van 568 bezit namen van Italië werd het klooster verwoest en werden de relieken overgebracht naar Fleury in Frankrijk. Fleury heet tegenwoordig Saint-Benoît-sur-Loire. Van de eerste kloosters die door Benedictus' volgelingen werden gesticht ontkwamen er slechts een of twee aan het oorlogsgeweld in de tweede helft van de zesde eeuw. Nadat de de monniken van Montecassino voor de Lombardische plunderaars waren gevlucht, stichtten zij een nieuwe gemeenschap in Rome. Een van hen werd later (in 590) paus en werd bekend als Gregorius de Grote (540 - 604) De regel van Benedictus is een zegen voor het religieuze leven gebleken. Hierdoor verspreidde de orde der Benedictijnen, zoals ze naar Benedictus zouden gaan heten, zich in hoog tempo over heel Europa. Dit gebeurde zowel door het invoeren van de regel in reeds bestaande kloosters als het stichten van nieuwe kloosters. Zo is Benedictus ook de patroon van Europa geworden. Vooral de biografie van Benedictus in de Dialogen van paus Gregorius de Grote droeg al vroeg bij tot zijn reputatie en roem. Zijn feest werd vroeger op 21 maart gevierd maar tegenwoordig op 11 juli. Monte Cassino is een Benedictijner abdij, een van de drie kloosters gesticht door Benedictus van Nursia. Het klooster ligt op een rots, 519 meter boven het plaatsje Cassino in de regio Latium of Lazio, tussen Rome en Napels, en is gebouwd op de ruïnes van een Romeinse versterking; municipium Casinum . |
![]() |
Toen Benedictus er aankwam was de regio nog niet bekeerd. Volgens de legende zou Benedictus het Apollo-altaar hebben afgebroken en er een kapel hebben gebouwd; de basis was gelegd. Monte Cassino zou geen eenvoudig leven zijn beschoren. Aanvankelijk was het niet meer dan een toren en een kapel, maar al snel werd het klooster steeds groter en kwam het onder bescherming van diverse machtige heersers te staan. Tijdens het leven van Benedictus ontstond hier de bekende regel voor monniken. Hij verrichtte er ook verscheidene mirakelen. Later zou het klooster verscheidene malen ten prooi vallen aan oorlogen en heersers, waardoor het ondertussen al vier keer is herbouwd. |
Ook als bedevaartsoord is het klooster sinds eeuwen zeer populair; zeker nadat Benedictus, die in de crypte begraven ligt, heilig werd verklaard. Omstreeks 577 werd de abdij verwoest door de Longobarden van Zotone, hertog van Beneventum, maar in de achtste eeuw gaf Paus Gregorius II de opdracht om de abdij te herbouwen. In 787 bezocht Karel de Grote het klooster en verleende de abdij verscheidene privileges; hij was een vriend van Paus Gregorius VII. De Basiliek werd opnieuw gebouwd en vele manuscripten zagen het daglicht, evenals mozaïeken. In 1349 werd het klooster door een aardbeving getroffen. Alleen een paar muren getuigden van het prachtige gebouw dat abt Desiderius verwezenlijkte. Ook tijdens WOII werd de prachtige abdij niet gespaard, ondanks de moeite van zoveel monniken. Op 15 februari 1944, tijdens de laatste dagen van de oorlog, bevond Monte Cassino zich in de vuurlijn van de twee legers: in dit gebouw van rust, vrede en gebed hadden honderden mensen er een schuilplaats gevonden. Binnen drie uur tijd zou dit hun laatste rustplaats worden. De laatste heropbouw duurde meer dan een decennium en werd volledig gefinancierd door de Italiaanse staat. Na zoveel eeuwen blijft de abdij van Monte Cassino een symbool van de wortels van het westers kloosterleven. Het is een groot klooster en ondanks de ruimtelijke beperking omvat het complex een kerk, kapittelzaal, dormitorium, refectorium, keuken, cellarium of voorraadkamer, novicencel, vestiarium of garderobe, oud en nieuw infirmarium of ziekenboeg en het palatium. Van het oorspronkelijke complex zijn alleen de door de kunstschool van Beurone beschilderde crypte (1889-1913) en de graven van Benedictus en zijn tweelingzuster, de heilige Scholastica, bewaard gebleven. |
|
Spinello Aretino (ca. 1350-1410), De heilige Benedictus wekt een onder het puin bedolven medebroeder weer tot leven, ca. 1387 fresco Spinello Aretino schilderde in de sacristie van de San Miniato al Monte de frescocyclus over het leven van de heilige Benedictus. Dit fresco van de wederopstanding van een onder puin bedolven medebroeder door de heilige Benedictus toont door de landschapsperspectief, de in die tijd gebruikelijke architectuur- en natuurweergave en -de plaatsing van de figuren in de ruimte hoeveel Spinello nog ongeveer vijftig jaar na de dood van Giotto aan zijn voorbeeld verplicht was. Een vergelijkbare overtuigingskracht in de beeldtaal bereikt hij echter niet. |
Gemaakt: 18-04-05 |