|
2671 |
Proto-Friezen (650 - 1 v. Chr.) |
![]() |
De Friezen uit de Romeinse tijd waren niet de Friezen die werden onderworpen door de Franken.
De Friezen die daar eerder woonden, de zogeheten 'proto-Friezen', waren een West-Germaans zwerfvolk dat in de zevende eeuw v.C. vanuit het gebied tussen Eems en Weser naar de lage landen was getrokken. Als noorderburen van het Romeinse rijk raakten deze Proto Friezen daar meermaals in conflict met de grenslegioenen. |
|
Behalve deze proto-Friezen werden ook nog andere West-Germaanse zwerfvolkeren gesignaleerd in dit gebied, zoals de Chauken. Zij werden vooral gesignaleerd in het noordelijke kustgebied van Friesland en Groningen, het mondingsgebied van de Rijn en rond het Flevomeer.
rechts: de gebieden die bewoond werden door de Friezen tussen ca. 200 v. Che. tot het begin van de jaartelling. |
![]() |
|
De herkomst van de eerste bewoners van het Friese Kerngebied Eems/Weser kolonisten (600 - 400 v.o.j.) De eerste bewoners van de Fries-Groningse kleigebieden komen uit Noordwest Nedersaksen, namelijk uit het gebied tussen de benedenloop van de Eems en de Weser. Om precies te zijn een gebied van de linker Eemsoever, over de Oostfriese geestgronden tot en met de Weser kleigebieden. (De bewoners van de Eemsoever zijn verwant aan die van Holstein. Het aardewerk uit het Eemsgebied is namelijk beïnvloed door dat van Holstein.
Drentse kolonisten (400 - 300 v.o.j.) Een tweede groep kolonisten komt uit Drenthe en de aangrenzende zandgebieden van Groningen en Friesland.
Het brongebied van de Friezen Herkomst van de Eems/Weser groep De eerste boeren van het Eems/Weser gebied waren de hunebedbouwers (Trechterbekercultuur) die zo'n 3400 jaar v.o.j. opdoken. Deze boeren kwamen waarschijnlijk uit een gebied dat rond de Elbe en Saale lag. Ze vormden een culturele eenheid met de eerste boeren van de Drentse zandgronden. Deze eerste boeren troffen in het Eems/Weser gebied een bevolking van jagers en verzamelaars aan, waar na de migratie van de boeren geen sporen meer aangetroffen worden. Over de omgang tussen die twee groepen is niets bekend.
Herkomst van de Drentse groep Van 4000 - 3400 v.o.j. zijn er geen sporen van bewoning van de Drentse zandgebieden. Er waren misschien wel enkele jagers/verzamelaars groepjes in de beekdalen. Vanaf 3400 v.o.j. vinden we de eerste sporen van de trechterbekercultuur beter bekend als de hunebedbouwers. Deze hunebedbouwers zijn boeren en komen waarschijnlijk uit Denemarken en Sleeswijk-Holstein. Ondanks veranderingen in o.a. grafrituelen (hunebed naar grafheuvel) geeft Fokkens in zijn proefschrift aan dat er toch sprake is van een culturele continuïteit. Hieruit kunnen we concluderen dat de "Drentse" groep kolonisten van het Friese Kerngebied van oorsprong uit Denemarken en Sleeswijk-Holstein komt. Het brongebied van de Friezen is te herleiden als het herkomstgebied van de kolonisten uit het Eems/Weser gebied en de kolonisten van het Drents-, Fries-, Groningse zandgebied. Dit brongebied overlapt voor een groot deel het gebied van de Trechterbekercultuur uit de oudste periode: Denemarken, Sleeswijk Holstein en het Eems-Saale gebied.
West-Friesland was geen herkomst gebied (800 v.o.j.) Taayke geeft in zijn zeer verdienstelijke proefschrift aan, dat het aardewerk uit West-Friesland en het Friese Kerngebied niet op elkaar aansluiten. Hij sluit een vroege kolonisatie vanuit West-Friesland uit.
Gebiedsuitbreiding van de Friezen Ontstaan van de Oer-Friezen (400 - 200 v.o.j.) Tussen 400 en 200 v.o.j. ontwikkelt zich uit de Eems/Weser- en de Drentse groep kolonisten een groep met een eigen identiteit. Sommige archeologen noemen dit de Proto-Friese cultuur (De archeoloog Ernst Taayke houdt echter een slag om de arm; volgens hem lijkt het aardewerk van deze "Proto-Friezen" wel op elkaar, maar houdt dit niet perse een sterke onderlinge band in). Deze Oer-Friezen woonden in een gebied dat tussen Leiden en Delfzijl ligt.
Uitbreiding van Rijn tot Eems (200 v.o.j. - 0) De 'Proto-Friezen' breiden in de volgende eeuwen hun woongebied uit. In het jaar 1 loopt het woongebied van Wijk bij Duurstede tot aan de Eems. Dit gebied komt precies overeen met de beschrijvingen die Ptolameus geeft van het woongebied der Friezen. (Het type aardewerk dat kenmerkend is voor deze "vroege" Friezen komt vooral in de huidige provincie Friesland voor; meer naar het oosten neemt het aantal vondsten snel af. De Friezen zouden waarschijnlijk nog lange tijd geboerd hebben, onopgemerkt door de buitenwereld, als die buitenwereld zich in de eerste eeuw v.Chr. niet zelf met hen was gaan bemoeien. En wel in de vorm van Romeinse legioenen, die in de tweede helft van de jaren 50 v.Chr. onder bevel van generaal Julius Caesar heel Gallië veroverden. Ook Nederland ten zuiden van de Rijn behoorde naar zijn inzicht tot zijn veroveringen. Maar aangezien hij niet in Nederland is geweest, was dat een nogal theoretische claim. Menens werd het pas in 12 v.Chr., toen een andere Romeinse generaal, Drusus, zich de Rijn af liet zakken en vrijwel heel Nederland bezette. De boeren in het Oer-IJ-gebied moesten vanaf dat moment belasting betalen aan de Romeinen, en wel in de vorm van runderhuiden. Een van de versterkingen die het Romeinse leger bouwde, bevond zich aan het Oer-IJ, bij het huidige Velsen. Een strategische plek. Hiervandaan kon men de monding van de Vecht – de meest noordelijke tak van de Rijn – bewaken, evenals de landweg over de strandwal. De versterking heette Castellum Flevum, waarbij castellum ‘klein fort’ betekent. Maar al was het dan klein voor Romeinse begrippen, op de Friezen moet het een enorme indruk hebben gemaakt: een stevig en in hun ogen omvangrijk houten bouwwerk met daarin een paar honderd soldaten. Die soldaten droegen ook nog eens een metalen wapenrusting, iets wat de Oer-IJ-boeren niet kenden. Bron: Een ontdekkingstocht naar het onbekende verleden van Noord-Holland - Bewoners
laatst bijgewerkt: 04-02-03
|