2898

Christenvervolgingen (250 - 313)

In de eerste helft van de 3e eeuw gingen veel welgestelde burgers over tot het Christendom. Keizer Trajanus Decius (249-251) meende dat dit nog eens verkeerd zou gaan aflopen. Christenen waren koppig en eigenzinnig. Zo weigerden zij bijv. om wapens te dragen. Door het Christendom zouden de mensen beslist geen dappere en gehoorzame onderdanen worden. Daarom nam hij verschillende maatregelen om de verdere verbreiding van het Christendom tegen te gaan. 

Alle Christenen die in het leger dienden of als ambtenaar in dienst waren, kregen ontslag. De Christelijke kerken moesten worden afgebroken en de handschriften die de Christenen lazen moeten worden verbrand. Christenen die hardnekkig in het Christendom bleven geloven werden als slaven te werk gesteld. z. ook: Brittannia

Ter wille van de eenheid van het rijk zette Decius een algemene en systematische vervolging in van de Christenen. Deze waren in de eerste plaats gericht tegen de Christelijke leiders, de bisschoppen. Op methodische wijze werden zij gevangengenomen en voorgeleid voor de "offercommissie". De enige manier waarop zij zich konden redden van marteling of verbanning met verbeurdverklaring van alle bezittingen, was het offeren aan de heidense goden, o.a. de keizer en het eten van het offervlees. 

Ondanks deze vervolgingen kreeg het Christendom steeds meer aanhangers, vooral in het oosten van het Romeinse Rijk, toen de "soldatenkeizers" over het Romeinse Rijk regeerden, Germaanse stammen het rijk voortdurend binnenvielen, roversbenden door het land trokken en de bevolking geteisterd werd door ziekten en hongersnood. In het Christendom vonden zij hoop op betere tijden. 

Veel Christenen redden hun leven door te vluchten of hun geloof te verzaken. Maar talrijk waren ook degenen die alles voor hun geloof over hadden. Samenkomsten van de christenen werden verboden. Om hun geloof te kunnen blijven belijden, waren zij gedwongen om in het geheim bijeenkomsten te houden. In de buurt van Rome gebeurde dat in de ondergrondse grafruimten, de catacomben, waarin martelaars en andere gestorvenen hun laatste rustplaats hadden gekregen. 
In 313 vaardigden Constantinus (Constantijn de Grote), als augustus van het westen en Licinius als augustus van het oosten, samen het Edict van Milaan uit, dat de Christenen godsdienstvrijheid verzekerde. Het Christendom was daarmee wettelijk erkend als volledig gelijk gerechtigd met de oude Romeinse godsdienst. De toestand van rechteloosheid, waarin de Christenen eeuwenlang hadden geleefd, was nu voorgoed voorbij.

Met het Edict van Milaan werd het Christendom wettelijk erkend als volledig gelijkgerechtigd met de oude Romeinse godsdienst. De toestand van rechteloosheid waarin de christenen eeuwenlang hadden geleefd, was nu voorgoed voorbij. Constantijn bepaalde tevens dat alle roerende goederen die tijdens de vervolgingen waren geconfisqueerd aan de eigenaren of hun nabestaanden moest worden teruggegeven. Ook de kerken kregen hun bezittingen terug. De invoering van het Christendom als staatsgodsdienst, bracht vele veranderingen: er kwam er een eind aan de gruwelijke vervolgingen van de Christenen, de zondag werd ingevoerd als rustdag en er kwam een einde aan de wrede gladiatorengevechten. Van alle kanten traden er nieuwe aanhangers toe tot het nieuwe geloof. Sommigen deden dat echter alleen om een aantrekkelijke functie te bemachtigen binnen de Kerk. 

laatst bijgewerkt: 21-07-02

colofon