Huishoudelijke apparaten

Nieuwe wonderen van techniek na 1900

Om de nieuwe apparaten te propageren, voerden de energiebedrijven een modern reclamebeleid. Met showrooms in de stad, tentoonstellingen en reclamefilms probeerde men de nieuwe apparaten aan de man te brengen. Beter gezegd: aan de huisvrouw, want zij was het voornaamste doelwit van de propaganda-acties. 

Het eerste elektrische huishoudelijk apparaat dat algemeen ingang vond, was het strijkijzer. Het apparaat was relatief goedkoop en veel handiger dan zijn voorgangers, die op de kachel of het fornuis verhit moesten worden. De stofzuiger was een Engelse vinding uit 1901. (Nog steeds heet het ding daar hoover, naar de eerste producent.) Amerikanen veranderden het bakbeest in een handzaam apparaat en al snel vond het zijn weg naar Nederland. Vanaf 1922 werden ook in ons land stofzuigers geproduceerd. Het arbeidsintensieve wassen bleef veel langer bestaan. Slechts aarzelend verschenen de eerste, peperdure, elektrische wasmachines op de markt. Die maakten geen eind aan het handwerk, want het waren nog lang geen wasautomaten. Door een schoep onder in de trommel werd de was heen en weer gedraaid. Je moest er zelf heet water in doen, de was door de handwringer halen, spoelen en weer door de wringer halen.

Op één gebied won de toepassing van gas overtuigend het pleit. Vanaf 1920 werd bijna overal waar de aanleg van het net dit mogelijk maakte op gas gekookt. Voor het sudderwerk hield de verstandige en zuinige huisvrouw echter wel het petroleumstel achter de hand.

De keuken als bedrijf
Iemand die haar huishouden niet goed organiseert, loopt eindeloos heen en weer, bukt onnodig en grijpt mis. Dat moet anders, zei de Amerikaanse huishoudkundige Christine Frederick. In The new housekeeping – efficiency studies in home management (1913) paste zij de rationalisatie-ideeën uit de moderne Amerikaanse bedrijfskunde toe op het huishouden. Handelingen moesten makkelijker, sneller en minder worden in een efficiënter ingerichte keuken. ‘De denkende huisvrouw’ (zoals de Nederlandse vertaling uit 1928 van Fredericks boek luidde) zou zo tijd en energie besparen. Dat was geen luxe in een tijd waarin de hulp van een dienstbode schaarser werd. En het was haalbaar door nieuwe technische vindingen. De gewonnen tijd kon de huisvrouw aan het gezin besteden en aan verdere scholing op huishoudelijk gebied.

Zowel in Duitsland als in Nederland hadden de Amerikaanse opvattingen grote invloed. In 1918 was er een groot woningtekort. Om aan de behoefte te voldoen moesten zo’n 60.000 woningen gebouwd worden. Het rijk zag in dat snel en goedkoop bouwen van belang was en stelde daarvoor een omvangrijk budget beschikbaar. Een geschikt moment dus voor experimenten.

Amsterdam, waar de woningnood heel hoog was, maakte binnen het algemeen beleid haar eigen plannen. De eerste wijk die hypermoderne keukens kreeg was Landlust, het vooroorlogse deel van Bos en Lommer ten oosten van de Admiraal de Ruijterweg. Woningbouwvereniging Het Westen liet er de principes van het Nieuwe Bouwen in praktijk brengen: ruim baan voor zon, licht en lucht! Dit resulteerde in open blokken, platte daken (minder schaduw), en grote ramen met moderne, smalle stalen kozijnen. De woningen hadden een uitgekiende plattegrond, waarin de keuken de kroon spande. De ontwerper was J.W. Janzen, die in 1929 al de ‘Holland-keuken’ had ontworpen. Hij had zich laten inspireren door de rationele ‘Frankfurt Küche’, waarvan er tussen 1926 en 1930 liefst 10.000 waren geplaatst in de nieuwbouwwijken van Frankfurt. Janzen besteedde in zijn ‘rationele keuken’ veel aandacht aan verlichting en ventilatie. Ook tijdsbesparing vond hij belangrijk: aanrecht, gootsteen en fornuis werden zo geplaatst dat de huisvrouw weinig heen en weer hoefde te lopen. Voor de tentoonstelling is zo’n originele Janzen-keuken herbouwd.

laatst bijgewerkt: 06-08-02