1887 Guyana
Guyana is een land in het noorden van Zuid-Amerika en grenst aan Suriname, Brazilië en Venezuela. Guyana heeft een grensgeschil met Suriname en Venezuela. De Spanjaarden hebben de Guyana's omstreeks 1500 ontdekt. Daarna kregen ook de Nederlanders, Fransen en Engelsen belangstelling voor deze streken. De Engelse belangstelling komt tot uiting in het boek dat Sir Walter Raleigh in 1596 uitgaf onder de titel" The discoverie of the large, rich, and bewtiful empyre of Guiana, with relation of the great and Golden Citie of Monoa ( which the Spanyards call El Dorado) ".
De ondertitel van dit werk geeft een der redenen van deze stoutmoedige onderneming aan: het zoeken van het rijk van El Dorado. De legende van de vergulde voor zou in 1539 ter ore van Pizarro zijn gekomen. Enige Indianen vertelden hem namelijk over het bestaan van een machtige Inca (Indiaans vorst), die zich bij plechtige gelegenheden van top tot teen met goudstof bedekte alvorens een bad te nemen in een heilig meer. Nadat men deze gegevens had ontvangen werd een reeks kostbare expeditie uitgerust om de keizerstad Manoa te ontdekken, in welke stad El Dorado zou vertoeven. Na aanvankelijke teleurstellingen werd de hoop niet opgegeven het land te bezetten om er het goud te kunnen roven. Sommige reizigers verklaarden Manoa te hebben bezocht; zij zagen er huizen en straten die van ontelbare juwelen schitterden. Vermoedelijk echter waren deze reizigers fantasten of hadden belang bij nieuwe expedities.

Toen men grote gebieden had afgezocht werd het steeds duidelijker dat het heilige meer ergens in de Guyana's moet liggen, het gebied dat toen nog onvoldoende bekend was. Sommigen hielden de overstroomde savannen bij de Rupununi voor het meer dat men zocht. Op een kaart van de bekende 17e eeuwse tekenaar Blau is het meer met de daaraan gelegen hoofdstad Manao maar vast ingetekend, ergens tussen de Orinoco en de Amazone.

Het is niet na te gaan of Sir Walter Raleigh ernstig heeft geloofd in de mythe van de gouden vorst. Zeker is, dat hij imperialistisch dacht. Twee krachtige denkbeelden kwamen namelijk in het Engelse denken ten tijde van Elisabeth naar voren: de heerschappij ter zee en de idee van het empire. Van de eerste gedachte was Drake de drager, van de laatste Raleigh. In de laatste dertig jaren van zijn leven werd Sir Walter Raleigh's geest beheerst door het denkbeeld der vernietiging van de Spaanse macht in Zuid.Amerika. De Orinoco beschouwde hij strategisch van grote betekenis.

Om deze rivier te kunnen beheersen was bezetting van Guyana van belang. Het bezetten van een positie in de enorme grensstrook tussen Portugees en Spaans Amerika en de beheersing van de Orinoco zou nl. een weg openen van de Atlantische Oceaan tot de Andes, waardoor een wig kon worden gedreven tussen Mexico en Peru

De reizen van Sir Walter Raleigh leidden echter niet tot concrete resultaten. Wel hebben zij de belangstelling voor het gebied van de Wilde Kust gewekt en tot volksplantingen van Europeanen geleid. Eerst beperkten Engelsen en Nederlanders en waarschijnlijk ook Fransen zich tot enige ruilhandel met de kust-Indianen. Zo hadden onder anderen Zeeuwse kooplieden hier hun factorijen. Volgens Menkman gaf een kaart van omstreeks 1635 de gehele kuststrook van de Amazone tot de Orinoco als Nederlands aan 

Maar waarschijnlijk was in die tijd de belangstelling van de West-indische Compagnie voor Guyana niet erg groot, want in de eerste helft van de 17de eeuw eiste Brazilië alle aandacht op. Het wekt dan ook geen verwondering, dat de eerste agrarische nederzetting in het gébied dat tegenwoordig Suriname heet, door Engelsen werd gesticht. Volgens Wolbers vond de eerste Europese volksplanting in 1630 plaats onder leiding van kapitein Marechal. Twintig jaar later werd onder Francis Willoughby, graaf van Parham, een grotere nederzetting van meer blijvende aard gesticht.

Suriname bleef niet lang Brits; in 1667 werd het door een Zeeuwse vloot onder Abraham Crijnssen veroverd. In de zeventiende eeuw werden door het Europese kapitaal tal van landbouwondernemingen in West-Indië in het leven geroepen, aanvankelijk voor de teelt van tabak, maar later in hoofdzaak met het doel suiker voor de Europese markt te produceren. Dit leidde tot immigratie van blanke kolonisten: plantagehouders en blankofficieren. Eén blanke groep dient bij de bespreking van Suriname apart te worden genoemd en wel de Joden. Als gevolg van beperking van godsdienstvrijheid in Brazilië trok een groot deel der B.raziliaanse Joden in 1654 naar Nederland.

Daar kregen zij van de Westindische Compagnie toestemming zich in Cayenne (het huidige Frans Gayana) te vestigen. Toen dit land in 1663 door Fransen werd veroverd de trokken zij naar Suriname. Een deel van deze kolonisten verliet Suriname weer, maar de groep kreeg aanvulling, ondre meer van Duits-Joodse gezinnen. De Braziliaanse Joden vormden een waardevolle immigranten-groep, die veel kapitaal inde vorm van geld, slaven en een grote kennis omtrent het plantagebedrijf naar Suriname brachten. Hun plantages lagen vooral aan de Boven-Suriname; vele dragen Joodse namen: Hebron, De ladder Jacobs, Ber Seba, Karmel, enz. Hier werd ook op afstand van tien uren roeien van Paramaribo de zgn. Joden-Savanne gevestigd, een dorp met een synagoge


Guyana is in feite onderdeel van een groter gebied dat Guiana werd genoemd - naar het Indiaans voor "land van vele wateren". Het huidige Guyana bestond in de 17e eeuw en 18e eeuw uit de drie Nederlandse koloniën Essequibo, Demerara en Berbice. Na de Napoleonitische Oorlogen werden deze koloniën bij het Congres van Wenen in 1815 officieel overgedragen aan het Verenigd Koninkrijk. Deze drie koloniën werden in 1831 samengevoegd tot Brits Guyana.

Net als in Suriname, had de afschaffing van de slavernij in Guyana grote gevolgen. Deze leidde onder andere tot immigratie van veel contractarbeiders uit Indiërs die werk verrichtten op de suikerrietplantages. De voormalige slaven trokken veelal naar de steden. Deze etnoculturele scheiding bestaat nog steeds en zorgt voor een turbulente politieke situatie.

Gemaakt: 21-12-05; bijgewerkt: 23-02-06

colofon