8118 | Scheepstypen | ![]() |
De meeste schepen van de VOC waren spiegelschepen, zo genoemd naar de meestal prachtig versierde vlakke achterzijde: de spiegel. Bovenop het achterdek waren de kajuiten en de eetzaal voor de officieren en de passagiers. Voor de mast verbleef de bemanning met hun hangmatten en scheepskisten tussen de lading. De ruimen waren het belangrijkst want daar moesten de kostbare waren worden opgeslagen, goed beschermd tegen vocht en zo ingepakt dat bijvoorbeeld het porselein niet kon breken. De kamer waar het kruit werd bewaard was extra versterkt en de kombuis was voorzien van een stenen vloer en betegelde wanden om brand te voorkomen. Het schip was voorzien van een groot aantal kanonnen in alle soorten en maten, want onderweg dreigde gevaar van vijanden en zeerovers. |
![]() |
Fluitschepen. Het fluitschip kenmerkt zich door de sterk ingehaalde boorden, de grootste breedte ligt niet ver boven de waterlijn. Het bovendek is smal. Dat levert voordeel op bij de berekening van het tolgeld dat in de Sont aan de Denen moet worden betaald. De schepen zijn eenvoudig getuigd en lichtbewapend. Een bemanning tussen de 10 en 15 koppen is voldoende. Daardoor is het een efficiënte en goedkope vrachtvaarder. Voor de houttransporten hebben de schepen speciale luiken in het voor- en achterschip. De lange sparren kunnen dan gemakkelijk worden geladen. De fluit was een lang schip met een smal dek en een rond voor- en achterschip. Het had geen spiegel. Door dat smalle dek hoefden de matrozen minder te lopen. Ze konden overal snel bij. Er waren daardoor minder mannen nodig en het schip kon goedkoper varen. Nederlandse vrachtvaarders waren goedkoop, omdat ze gebruik maakten van zogenaamde fluitschepen. Dat waren vrachtschepen gebouwd van goedkoop dennenhout en met een grote laadruimte. Fluiten waren desondanks relatief duurzaam, veilig en snel. Ze werden vooral in de Zaanstreek gebouwd, waar men gebruik maakte van arbeidsbesparende middelen als houtzaagmolens en grote hijskranen. Dat alles maakte fluiten 40 tot 50 procent goedkoper dan vergelijkbare Engelse schepen. Belangrijk voordeel was ook dat er maar 18 in plaats van 25 tot 30 matrozen nodig waren om het schip te laten varen. Hollandse kooplieden waren daardoor in staat graan uit Polen voor een lagere prijs in Engeland aan te bieden dan Engelse kooplui. |
Fregatten waren snelle, goed bewapende schepen en waren voor de kaapvaart belangrijk. De Duinkerker kapers gebruikten als eersten fregatten, die handig waren bij het enteren en er als de wind van door konden gaan. Het waren spiegelschepen, die sterk in grootte varieerden. De kleinste hadden acht kanonnen aan boord en de grootste wel zestig. De onderste dekken lagen laag en vlak, zodat meer, zwaar geschut kon worden meegevoerd.
Retourschepen werden gebruikt voor de lange reis naar Azië. Het waren vrachtvaarders en oorlogsschepen tegelijk. Meestal voeren ze in vlootverband om zich beter te kunnen verdedigen. Eén vloot bestond uit twee tot vijf schepen. Ze waren stevig gebouwd om stormen te kunnen doorstaan en hadden een groot laadvermogen, want er moest veel geschut en proviand mee. Het retourschip had honderden opvarenden: een klein aantal passagiers en een groot aantal zeelieden en soldaten. Hout- en touwwerk hadden onderweg duchtig te lijden. Na elke reis moesten de schepen op de werf helemaal worden gekalefaterd. Behalve spiegelschepen beschikte de VOC ook over jachten, kleinere en snellere schepen die berichten konden overbrengen of op verkenning werden gestuurd. Tijdens een van de eerste VOC reizen werd het jacht De Duyfken er op uit gestuurd om onbekende landen te verkennen. Men kwam zonder het zelf te beseffen voor de kust van Australië. Dat is de reden dat De Duyfken is nagebouwd en de reis van Australië naar Nederland maakt met de bedoeling hier in 2002 tijdens de herdenkingen aan te komen. De koopman Liorne uit Hoorn bedacht het fluitschip. Niemand weet meer waar die naam vandaan komt. Het is een schip zonder spiegel, maar met een ronde achterkant. Het is een heel praktisch schip want het dek is smal: hoe breder het dek hoe meer belasting je moest betalen. De tuigage is zo eenvoudig mogelijk, dat was nodig omdat de helft van de VOC bemanning uit het buitenland kwam en vaak nog nooit de zee had gezien. Het ruim is wijd en de bodem vlak zodat men dicht bij de kusten kon komen en makkelijk rivieren opvaren. Toen het eerste fluitschip werd gebouwd werd Liorne door veel collega’s uitgelachen. Maar later is het praktische schip in heel Europa nagebouwd. Gemaakt: 28-07-09 |