3153 |
Nicolas Copernicus en Galileo Galileļ |
Tot in de 15e eeuw geloofden veel mensen nog dat de aarde de vorm had van een platte schijf. Wie te dicht bij de rand kwam, viel van de wereld af en kwam nooit meer terug, zo dacht men. Echter steeds meer geleerden begonnen te vermoeden dat de aarde een bolvorm had. Dit idee was niet nieuw, want Griekse geleerden hadden dat 1700 jaar eerder ook al beweerd. Voortbouwend op het werk van de Poolse monnik Nicolas Copernicus, kwam de 17e eeuwse astronoom Galileo Galileļ, die werkte met een telescoop tot de conclusie dat de aarde rondom de zon draaide en bovendien om zijn eigen as. Dat was in strijd met wat er in de Bijbel stond en dus haalde Galileļ zich met zijn bewering de woede op de hals van de inquisitie. Galileļ werd in 1616 gewaarschuwd dat de Kerk de ideeėn van Copernicus niet kon aanvaarden. Toen Galileļ in 1633 in zijn boek "Dialoog over de twee grote systemen" bij zijn standpunt bleef, werd de sterrenkundige uit Pisa in Rome op het matje geroepen door het Heilig Officie, de opvolger van de inquisitie. Dit was de Vaticaanse instantie die moest waken tegen ketterij. De toen 69-jarige Galileļ, halfblind en ziek, werd gedwongen een verklaring voor te lezen, waarin hij zijn stellingen "afzweerde, vervloekte en verachte". Maar toen hij wegliep, op weg naar het ballingsoord bij Florence, waar hij zeven jaar later zou overlijden, mompelde hij: "en toch beweegt de aarde." Het zou vervolgens nog tot 1992 duren dat Galileļ van de paus eerherstel zou krijgen. |
![]() |
Copernicus in de Republiek Dirk van Delft NRC 20-12-03 POLITIEKE MOTIEVEN STUURDEN HERVORMD VERZET TEGEN COPERNICANISME Het heliocentrische wereldbeeld van Nicolaus Copernicus werd pas een eeuw na de introductie in 1543 in Nederland een issue. Toen Descartes zich erover ontfermde sloeg de kerk alarm. IN 1543 PUBLICEERDE de Poolse astronoom Nicolaus Copernicus zijn beroemde werk De revolutionibus orbium coelestium (`Over de omwentelingen van de hemellichamen'). Het daarin ontvouwde heliocentrische wereldbeeld nam afstand van het geocentrische stelsel van Ptolemeus (circa 150 na Chr.). Copernicus zette de zon in het centrum van het heelal en liet de planeten, inclusief de aarde, er in eenparige cirkelbewegingen omheen draaien. Het anonieme voorwoord van de Lutherse dominee Andreas Osiander maakte gewag van `mathematische hypothesen'. Maar Copernicus zag zijn systeem, waarvan hij de orde, harmonie en schoonheid benadrukte, wel degelijk als fysische werkelijkheid. De `nieuwe astronomie' van Copernicus - een verwijzing naar Astronomia Nova (1609) van de copernicaan Johannes Kepler - stuitte op meerdere bezwaren. Had Aristoteles, nog zeer invloedrijk in de zestiende eeuw, niet gezegd dat de aarde als zwaar lichaam van nature onbeweeglijk in het middelpunt van het heelal staat? Was de draaiing van de aarde niet in strijd met alledaagse kennis en zouden losse voorwerpen in het nieuwe systeem niet van de aarde moeten worden weggeslingerd? Dan waren er de theologische bezwaren, die berustten op een letterlijke interpretatie van de Schrift. Zo liet God in het bijbelboek Jozua de zon in zijn baan om de aarde stilstaan - tot vreugde van de IsraeĢlieten maar in flagrante tegenspraak met Copernicus. INQUISITIE GalileiĢ, die in Florence met zijn kijker vier Jupitermanen, de schijngestalten van Venus en Mercurius, sterren in de Melkweg, bergen op de maan en zonnevlekken had gezien en deze waarnemingen in zijn Dialogo (1629) inzette ter verdediging van het copernicanisme, kwam in conflict met de inquisitie. In 1633 werd hij na een geruchtmakend proces gedwongen zijn opvattingen af te zweren. De revolutionibus stond sinds 1620 op de Index. Maar niet alleen de rooms-katholieke kerk was tegen, ook de Reformatie moest weinig van Copernicus hebben. De Utrechtse theoloog Gijsbertus Voetius bestreed rond 1650 de `nieuwe' opvattingen te vuur en te zwaard. Aanvankelijk was van een receptie in Nederland nauwelijks sprake. De discussie werd gedomineerd door humanistische geleerden. Aan de Leidse universiteit bestond vooral interesse in de harmonie binnen de kosmos, een thema van de klassieken. De komst van Justus Scaliger, een van de beroemdste geleerden van de Renaissance, leidde tot een opleving van de interesse voor wiskunde en astronomie, maar tegelijk blunderde dit academische kopstuk er qua wiskunde stevig op los en van Copernicus' ideeėn over een bewegende aarde moest hij niets hebben. Hollandse humanisten wilden kennis opdelven, aan scheppen bestond geen behoefte. De copernicaanse harmonie - met planeten die eenparige cirkelbewegingen beschreven, waar Ptolemeus een punctum aequans (vereffeningspunt) nodig had - werd omarmd maar dat gold niet voor de beweging van de aarde. En voor de wiskunde waarmee Copernicus de posities van de planeten berekende bestond nauwelijks interesse. Anders lag dat bij outsiders met weinig ontzag voor de klassieken. Simon Stevin noemde zich copernicanist op basis van wiskundige argumenten. De opvatting van Ptolemeus dat de buitenste `sfeer', die van de vaste sterren, in 24 uur om de aarde draaide, en daarmee stukken sneller was dan die van de buitenplaneten (Saturnus draaide het traagst), botste met wat zijn gezond verstand over mechanica zei. De harmonie van de humanisten was prima, maar de ingenieur Stevin gaf daar zijn eigen draai aan. Ook cartograaf Willem Blaeu was aanhanger van Copernicus: als enige kaartenmaker gaf hij op zijn wereldkaarten het nieuwe systeem weer. HARMONIE Toen onder invloed van Galileļ's astronomische ontdekkingen wiskundigen en astronomen in hun belangstelling voor kosmologische kwesties gezelschap kregen van filosofen, kwamen de zaken in een ander licht te staan. Vragen naar de harmonie en constitutie der hemelen konden niet langer los gezien worden van het probleem hoe de natuur als geheel te beschouwen. Dat was het moment waarop theologische bezwaren in beeld kwamen. Kon een wiskundige prima zonder bijbel, veronderstellen dat Gods woord er in een filosofische duiding van de wereld niet toe zou doen, was ongehoord. Bij gebrek aan beter had het aristotelisme tot diep in de zeventiende eeuw standgehouden. Het was René Descartes die met zijn overkoepelend intellectueel raamwerk een alternatief bood. Vele nieuwe ontdekkingen - waaronder die van GalileiĢ - en inzichten vonden daarin soepel hun plaats. De opkomst van het cartesianisme gaf het copernicanisme een impuls: het was er een hoeksteen van. Het stelsel domineerde het intellectuele discours van de tweede helft van de zeventiende eeuw en ook iemand als Christiaan Huygens kon zich in zijn jonge jaren prima vinden in de geometrische benadering van Descartes. Zonder dat aan de bezwaren tegen het copernicanisme tegemoet was gekomen kreeg het systeem status door de inbedding in een coherent wereldbeeld. Aan de Nederlandse universiteiten had Descartes veel aanhang en zijn programma kreeg een plek in het curriculum, ter vervanging van het aristotelisme en de humanistisch-filologische traditie van het bestuderen van teksten van de klassieken. Filosofie kreeg status, ten koste van de wiskunde. Tegelijk gaf de opkomst van het cartesianisme scheve ogen bij theologen. Zij zagen zich in hun positie bedreigd en aarzelden niet bij de autoriteiten aan te dringen op een verbod van het onderwijzen van dit verderfelijke systeem. Een fel publiek debat was het gevolg. Dat woedde de tweede helft van de zeventiende eeuw ook elders in Europa, maar in Nederland nam het een bijzondere vorm aan vanwege de heersende verhoudingen tussen kerk en staat. Aanvoerder van het verzet in de Republiek was de militante Utrechtse theoloog Gijsbertus Voetius. Zijn omhelzen van het neo-aristotelische gedachtegoed was vooral bedoeld om de zuiverheid van de Reformatie te garanderen en ketters en ongelovigen af te weren. Mensen als Voetius accepteerden slechts de autoriteit van de bijbel, voor zekerheden moest je niet bij de filosofie zijn. Om die reden schoof hij alle niet-bijbelse argumenten in de discussie als irrelevant terzijde - waarschijnlijk begreep hij ze niet eens. De protesten leidden er in zowel Leiden als Utrecht toe dat per decreet alle hoogleraren in de theologie en filosofie werd verboden het over Descartes te hebben. Teleurgesteld hield Descartes het in 1649 in Nederland voor gezien - zijn laatste dagen sleet hij in Zweden. Intussen leed de verspreiding van het cartesianisme nauwelijks onder dit Reformatorisch rumoer. De autoriteiten handelden uit overwegingen van openbare orde, niet uit principe. Zolang cartesianen geen aanstoot gaven mochten ze hun gang gaan, zelfs in het Utrecht van Voetius. Het debat over cartesianisme in de Republiek was in feite een politiek gekleurd debat over de ondergeschikte positie van de hervormde kerk. Dat verklaart de heftigheid waarmee er strijd werd geleverd. De Hollandse regenten vreesden de honger naar macht van Reformatorische zijde en Voetius' pogingen om de staat een streng-christelijke karakter op te leggen werden met huiver bezien. Van de weeromstuit ontwikkelde de Republiek sterk anticlericale trekjes. Het is in deze context van een seculiere versus een godvrezende staat dat het debat over het cartesianisme, en daarmee ook het copernicanisme, zo hoog kon oplopen. Tot in de achttiende eeuw zou het copernicanisme onder hervormde theologen controversieel blijven. De komst van Newtons Principia, gepubliceerd in 1687, bracht daarin verandering - al duurde het tot de tweede editie van 1713 eer de Nederlandse universiteiten het belang van de nieuwe aanpak onderkenden. Overigens is het onjuist te veronderstellen dat Newton het cartesianisme wegdrukte: Christiaan Huygens was uitgekeken op Descartes maar vond tevens Newtons actio in distans absurd. In ons land werd het newtonianisme vooral gepropageerd door de natuurkundigen Jacob Willem 's Gravesande en Petrus van Musschenbroek. Dat de leer van Newton ondanks het streng wiskundige karakter theologen niet opnieuw op de kast joeg, zal te maken hebben gehad met enige vermoeidheid aan die zijde: men had tabak van het bekvechten. Met de zegetocht van Newton kwam de weg vrij voor een verzoening met het heliocentrische wereldbeeld. laatst bijgewerkt: 23-12-03 |