|
Een boerendorp in de tijd van Karel de Grote
 
Kleding, meestal gemaakt van wol of linnen, werd vervaardigd door de vrouwen en meisjes. De wol sponnen de vrouwen zelf en ook de stoffen werd zelf geweven. Alle kleding was zeer ruim. Dat kwam ook omdat de kleren toen geen knopen en knoopsgaten hadden. Daarom moesten de kleren "gesloten" over het hoofd worden aangetrokken. De boeren hielden hun kleding vaak dag en nacht aan, ook als die nat waren. De mannen en jongens droegen een kiel die tot aan de knieën kwam en door een gordel om het middel bijeen werd gesnoerd. Met slecht weer werd over de kiel een dikke wollen -mantel, die op de schouder werd vastgehouden door een speld. Daaronder droegen ze een lange broek en een soort lange kousen die werden opgehouden door er kruiselings riempjes omheen te wikkelen. De vrouwen droegen een wijde jurk die tot even boven de enkels viel. Op de schouder was die gesloten met een sierspeld, een fibula. Als ze er netjes uit wilden zien, droegen ze om de schouders en één arm een lange sjaal. Die kon ook om het hoofd worden geslagen. Om hun middel droegen ze een mooi versierde gordel. Ze hingen er vaak een tasje aan. Daarin bewaarden ze kleine dingen, zoals een kam en een schaartje.
Getrouwde vrouwen onderscheidden zich van de niet getrouwde jonge meisjes, doordat ze het hoofd bedekten met een lange rechte hoofddoek. De boeren mochten alleen donkere kleding dragen, zodat ze met één oogopslag van de edelen konden worden onderscheiden. Onderkleding droegen de boeren toen niet. Dat was makkelijk als je onderweg, op het veld of op de mestvaalt je behoefte moest doen. W.C.'s waren er niet. Aan hun voeten droegen de boeren schoenen van linnen of leer zonder versterkte zolen. Die sleten daarom ook snel, vooral ook omdat ze steeds nat werden door de modderige wegen en velden. Klompen werden er niet gedragen. Wel werden er soms sandalen onder de schoenen gebonden.
colofon
laatst bijgewerkt: 05-10-03
|