7561 Senegal (1444 - 1800)
Senegal - Vroege geschiedenis

In 1444 kwamen de Portugezen aan op het schiereiland Cap Vert, waar nu Dakar is gelegen. Een eilandje in de baai werd bezet en "Ilha de Palma" genoemd. Met de komst van de eerste Europeanen begon ook een van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van het Afrikaanse continent, de slavenhandel naar Amerika en West-Indië. Naar schatting zijn er zo'n twintig miljoen slaven naar de Nieuwe Wereld verscheept. De slavenhandel werd afwisselend beheerst door Fransen, Hollanders en Engelsen. De Engelsen schaften de slavernij af in 1807, de Fransen in 1848.

Vanaf de 15e eeuw concurreerden Portugal, de Republiek der Nederlanden en Engeland om handel in het gebied van het huidige Senegal. 

Begin 17e eeuw (1617) kochten de Hollanders het eilandje Ilha de Palma van een lokaal stamhoofd. De Portugezen hadden het toen al lang weer verlaten. Een tijdlang was dit eiland in het bezit van de West-Indische Compagnie, die het naar het voormalige Zuid-Hollandse eiland Goeree noemde, volgens een andere lezing noemden zij de aanlegplaats "Goede Reede". De naam is in de loop der eeuwen verbasterd tot Gorée. De Hollanders bouwden er twee forten (Fort Oranje en Fort Nassau) en enkele gebouwen voor de op- en overslag van goederen. De Hollandse handelsheerschappij nam na 1650 aanmerkelijk af en kwam in handen van de Fransen en de Engelsen. 

Links: Frans fort op L'Île Gorée

Tot 1814 waren Gorée en andere kustplaatsen afwisselend in Franse en Engelse handen. De eerste Franse handelspost werd er in 1624 gesticht. 

In 1677 veroverden de Fransen het eiland Gorée dat een belangrijk vertrekpunt werd voor de slavenhandel. Vanuit Gorée werden meer naar Amerika gezonden dan vanuit enige andere afzonderlijke Afrikaanse haven. Het fort D'Estrees op het eiland Gorée, waar de slaven gehouden, verhandeld en ingescheept werden, is na de onafhankelijkheid gerestaureerd en is nu een museum.

De stad Saint-Louis in het het noorden was een belangrijk punt aan de handelsroutes van de Atlantische Oceaan, dwars door de Sahara naar Soedan. De exploitatie van goud, ivoor en zwarte slaven maakte de stad voor de Franse kolonisatoren van groot belang. In de periode van 1659 tot 1779 ontstonden er negen handelscompagnieën waarvan de bekendste waren La compagnie du Cap vert et Sénégal en La compagnie des Indes occidentales. De stad telde toen 10.000 inwoners. 

De stad Ziguinchor in het zuiden werd in 1645 door de Portugezen gesticht. De naam Ziguinchor komt van het Portugese "Cheguei e choram", wat ongeveer "Ik arriveerde en zij huilden" betekent. De verklaring van deze naam is dat toen de Portugese ontdekkingsreizigers en handelaars arriveerden, de lokale bevolking dacht dat ze als slaven zouden worden weggevoerd, waarop men begon te huilen. De Portugezen waren echter van plan in vrede met de lokale bevolking te leven; ze stichtten een handelspost en sloten een vriendschapsverdrag met de lokale heerser.

De streek Casamance, een naam die is afgeleid van Casa Mansa : het huis van de koningen, was onderworpen aan zowel Franse als Portugese koloniale invloeden voordat een grens tussen de Franse kolonie van Senegal werd afgesproken tussen Portugees Guinea (nu Guinee-Bissau) in het zuiden en de Franse kolonie Senegal. Door de ligging ten zuiden van Gambia, een voormalige Engelse kolonie, heeft dit gedeelte van Senegal altijd een relatief geïsoleerde positie ingenomen ten opzichte van het politieke en economische centrum rond de hoofdstad Dakar. De Diola vormen de dominerende etnische groep in Casamance. 

Senegal (1800-1900)

colofon

Gemaakt: 07-03-11