833 |
Spraak en taal |
Mogelijk beschikte de Homo Heidelbergensis voor het eerst over een soort taal, waarmee zij hun ervaringen en die van hun voorouders en de nodige geografische kennis door konden geven. Dit hypoglossale kanaal blijkt in fossiele schedels van de Neanderthalers en Vroege Homo Sapiens in omvang vergelijkbaar met die van de moderne mens. Het tongzenuwkanaal van de oudere mensachtigen is aanzienlijk smaller en komt meer overeen met dat van de chimpansees en gorilla's, zeker wanneer rekening wordt gehouden met de grotere omvang van de mensapentong. Hierbij wordt uitgegaan van de hypothese dat de hoeveelheid zenuwen die naar de tong lopen een indicatie geeft van de motorische coördinatiemogelijkheden van de tong. Of ze contacten hadden met andere groepen is nog een onbeantwoorde vraag. Gejaagd werd er, maar over de manier waarop dat in zijn werk ging, wordt verschillend gedacht. |
Anatomie gehoorgang en middenoor wijst op vroege spraak / Hendrik Spiering (NRC-Handelsblad 26/27 juni 2004; p. 47 Voorlopers van de Neanderthalers konden goed geluiden horen in het frequentiegebied tussen 2000 en 4000 Hz. Dit frequentiegebied is van belang voor het goed verstaan van spraak en precies in dit gebied vertoont het gehoor van chimpansees, de naaste evolutionaire verwant van de mens, een dip (Proceedings of the National Academy of Sciences, online early edition 21 juni).Een Spaans team onder leiding van Ignacio Martinez onderzocht de gehoorgang en het middenoor van vijf 350.000 jaar oude fossielen uit het Spaanse Atapuerca en vergeleek ze met die van moderne mensen en chimpansees. Uit deze anatomie is goed af te leiden welke frequenties goed doorkomen en welke niet. De conclusie dat deze specifieke spraakfrequenties kennelijk belangrijk waren is een aanwijzing dat deze vroege mensensoort een gesproken taal bezat. Dit gaat in tegen theorien dat gesproken taal veel jonger is. De onderzochte fossielen uit Atapuerca worden tot de soort Homo heidelbergensis gerekend, de directe voorloper van de Neanderthaler. Omdat de akoestische eigenschappen van hun middenoor en gehoorgang sterk lijken op die van de moderne mens moet ervan worden uitgegaan dat de gemeenschappelijke voorouder van Neanderthalers en moderne mensen er ook al over beschikte. Dat betekent dat de eigenschappen, en dus mogelijk ook de gesproken taal, teruggaan tot ca. 500.000 jaar geleden. De anatomie van schedel 5 uit de Sima de los huesos, Atapuerca, (350.000 jaar oud) wijst erop dat deze vroege mens spraak kon verstaan. universidad complutense |
Eerst was er de taal en daarna ontstond het schrift, dat lijkt logisch. De moderne wetenschap is voor een "normaal" mens niet te volgen. Uit vorig jaar gepubliceerd onderzoek was al duidelijk dat een bepaald gen, het FOXP2-gen, een belangrijke rol speelt in het menselijk taalvermogen. Het volgende artikel is uit NRC/handelsblad dd 15/8/02. Een gen dat nauw samenhangt met het taalvermogen van de mens heeft ergens in de afgelopen 200.000 jaar op twee plaatsen een belangrijke verandering ondergaan. Deze mutaties in het zogeheten FOXP2-gen, dat miljoenen jaren daarvoor niet veranderde, markeren mogelijk een doorbraak in de evolutie van het taalvermogen. Duitse en Britse onderzoekers beschrijven hun ontdekking vandaag in het wetenschappelijk tijdschrift Nature. Het is niet bekend hoe oud menselijke taal is. Volgens sommige theorieën ontstond het taalverm ogen in rudimentaire vorm al twee miljoen jaar geleden, met de komst van Homo erectus. Tijdens de menselijke evolutie, met de groei van de hersenen, is dit taalvermogen steeds complexer geworden. De mutaties van het FOXP2-gen zouden ongeveer samenvallen met het ontstaan, zo'n 150.000 jaar geleden van de moderne mens: Homo sapiens, met aanzienlijk grotere hersenen dan Homo erectus. Ook chimpansees, gorilla's en mogelijk zelfs papegaaien hebben het vermogen om dingen (knoppen, gebaren of klanken) te laten verwijzen naar andere dingen. Maar alleen de mens bezit het vermogen om woorden naar andere woorden te laten verwijzen. Door deze complexe manipulatie van symbolen is de mens in staat een eigen wereld in taal op te bouwen. De eerste geschreven kunst is deze week (12/1/02) gedateerd op 77.000 jaar. Over de datering is men = de wetenschappers, het eens. De vindplaats is de Blombos grot in Zuid Afrika. Het betreft 2 stukjes rode oker met de afmetingen 5 en 7 cm. |
Hendrik Spiering Abstracte oertaal - DEACON OVER DE OORSPRONG VAN TAAL Wat is de eerste stap naar taal? Symbolisch denken, zegt Terrence Deacon. `Dat is de drempel naar taal. De onderlinge verwijzing van woorden is cruciaal.' Taal is niet ontstaan omdat de oermens langzaam slimmer werd. Taal is ook niet ontstaan omdat de mens ging zingen. En er is al helemaal niet ooit een keer een gelukkige mutatie geweest waardoor in één klap het taalsysteem kon ontstaan. Nee, neurobioloog Terrence Deacon (Universiteit van Boston en Harvard Medical School) is er van overtuigd dat de eerste taal ontstond vóórdat er zoiets als menselijke spraak was. Taal ontstond ongeveer twee miljoen jaar geleden, toen de voorlopers van Homo erectus symbolisch gingen denken. Dat wil zeggen dat ze abstracte begrippen gingen gebruiken, woorden die niet alleen maar naar concrete voorwerpen verwezen maar ook naar elkaar. Die onderlinge verwijzing van woorden vormt het cruciale verschil met de communicatie van dieren, die ook `woorden' gebruiken maar uitsluitend met verwijzingen naar de werkelijkheid. Drie belangrijke evolutionaire aanpassingen zijn nodig voor spraak zoals we die nu kennen, betoogde Deacon vorige maand in de drie Nijmegen Lectures die hij gaf op een driedaags aan zijn werk gewijd congres. Deacon was te gast bij de Katholieke Universiteit Nijmegen en het Max Planckinstituut voor psycholinguïstiek. Het gaat daarbij om het vermogen symbolen te kunnen leren, om controle over het vocale systeem en, ten derde, om de automatisering van de grammatica. Deze drie vernieuwingen vonden niet gelijktijdig plaats. De eerste en belangrijkste stap was dat mensen symbolen gingen begrijpen: dingen die niet alleen naar iets anders verwijzen maar óók en vooral naar elkaar. Op dat moment maakte de vroege mens de sprong die alle andere ontwikkelingen mogelijk maakte. Symbolisch denken is de drempel voor taal. Deacon: ``Gecompliceerdheid van taal is niet het probleem, getting started is the problem.'' Grammatica is secondair, is Deacons overtuiging, dat komt later. ``Grammatica gaat over symbolen, je moet eerst symbolen hebben'', zeg Deacon in een pauze tussen een lecture en een seminar. Taal is in deze opvatting meer dan onderlinge communicatie, het is een heel nieuwe manier van denken. Vrijwel al onze woorden (behalve eigennamen) verwijzen naar andere woorden. Een woord als `walvis' staat bijvoorbeeld in verband met `vis', `zoogdier' maar ook met spek, jacht, zee, eskimo's, enzovoorts. Zo staan uiteindelijke alle woorden van een taal met elkaar in verband. De omschrijvingen in het woordenboek vormen het bewijs. De oorsprong van de menselijke taal is in nevelen gehuld. Niet voor niets wordt in dit verband vrijwel altijd een befaamd besluit van de Franse Société de Linguistique in 1866 vermeld: de Société besloot voortaan alle artikelen over de oorsprong van taal te weigeren omdat dat onderwerp toch slechts verzinsels en verhaaltjes opleverde. En heel veel verder zijn we nog altijd niet, aldus een vrij brede wetenschappelijke consensus. Harde feiten zijn er niet. Strikt genomen zijn de oudst bekende bewijzen van taalgebruik nog geen 6.000 jaar oud: de oudst bekende geschreven teksten uit Sumerië en India. Maar tegelijk gaat niemand ervan uit dat de kunstvoorwerpen en rotsschilderingen die Homo sapiens rond 40.000 jaar geleden ging produceren (in de `laat-paleolithische revolutie') mogelijk zouden zijn geweest zonder taal. Het minimum is dus 40.000 jaar. Er zijn verschillende mogelijkheden om het gebruik van taal verder terug in de tijd te brengen. Taal zal minstens 140.000 jaar oud moeten zijn omdat de laat-paleolithische revolutie natuurlijk niet uit de lucht kwam vallen. Er zijn ook aanwijzingen voor `modern' gedrag gevonden die ouder zijn dan 40.000 jaar: begrafenissen, bewerkte voorwerpen, gebruik van verfstoffen, ruilhandel. En rond 140.000 jaar geleden ontstond in Afrika ook de anatomisch moderne mens, Homo sapiens, met 75 procent grotere hersenen dan zijn voorganger Homo erectus. Een andere redelijke gedachte is dat enigerlei vorm van taal al zo'n 1 miljoen jaar onder de mensen bestaat. Want rond 1 miljoen jaar geleden zouden mond, strottenhoofd en ademhalingsspieren al enigszins geschikt zijn voor spraak (aldus berekeningen van Philip Lieberman van Brown University). Een derde mogelijkheid om taal nòg veel eerder te laten beginnen ligt circa 2,5 miljoen geleden, toen de voorouders van de mens op grote schaal vlees gingen eten (door jacht of het niet zo veel minder gevaarlijke aaseten). Bij die activiteit zouden onderlinge communicatie en coördinatie een groot voordeel zijn geweest. Iets later, zo'n 2 miljoen jaar geleden, ging het menselijk hersenvolume flink groeien (met Homo habilis en Homo erectus). Deacons centrale these, die hij ook uiteenzette in zijn boek The symbolic species: the co-evolution of language and the brain (1997), behoort in de datering tot de laatste groep theorieën over taaloorsprong. Maar sterker dan wie dan ook beklemtoont Deacon dat het ontstaan van de menselijke taal de ontwikkeling van het menselijk brein zelf diepgaand beïnvloed heeft. Taal is meer oorzaak dan gevolg van de hersengroei. In twee zaken onderscheidt de mens zich van de andere dieren, aldus Deacon: de taal en de hersenen. Die moeten dus wel iets met elkaar te maken, en tot in details legt hij in zijn boek en in zijn lezingen van afgelopen maand uit hoe het menselijk brein is aangepast aan het gebruik van taal. ``Alleen mensen hebben bijvoorbeeld directe zenuwverbindingen tussen de frontale cortex en de bewegingscentra, voor de voor spraak noodzakelijke beheersing van de ademhaling en het strottenhoofd met de stembanden.'' Menselijke taal ontwikkelde zich als een soort uitwendig menselijk orgaan dat de ontwikkeling van de hersenen stimuleerde. Daardoor was meer en complexere taal mogelijk was, hetgeen het brein weer verder stimuleerde: enzovoorts. Alleen zo zou te verklaren zijn dat taalvermogen en hersenen nu zo goed bij elkaar passen, aldus Deacon. De consequentie van deze co-evolutie is dat de eerste taal moet zijn ontstaan in ongeveer dezelfde periode (of liever: net iets eerder) dat het menselijk hersenvolume (vooral in de frontale cortex) toenam en waarin onze voorouders zich duidelijk gingen onderscheiden van hun nogal chimpanseeachtige voorgangers: circa 1,8 à 2 miljoen jaar geleden. Deacon kwam op het spoor van het belang van symbolisch denken toen hij een keer een les over hersenen en taal gaf op een Amerikaanse basisschool. ``En toen vroeg een heel eigenwijs jongetje van acht jaar: `als dieren onze taal niet kunnen leren omdat het te complex is, waarom hebben ze dan geen simpele talen?''', zo vertelde Deacon vorige maand in Nijmegen. Deacon had er geen antwoord op, want in principe is het heel goed mogelijk om een eenvoudige grammatica te maken, met uiterst simpele regels. Grammatica is de kern van taal, luidt een dominante opvatting in de taalkunde: dankzij de grammatica is het mogelijk een oneindig aantal zinnen te maken en de vaak vage betekenissen van woorden van een duidelijke context te voorzien. Maar waarom kunnen dieren dan zelfs niet een simpele grammatica leren? Er moest een andere belemmering voor taal zijn, en Deacon dook in de betekenis van woorden. Waarnaar verwijzen woorden? Niet de mogelijkheid tot verwijzing naar de werkelijkheid (`referentie') is typerend voor de menselijke taal, aldus Deacon. Want dat kunnen dieren met hun alarmkreten ook. Meerkatten bijvoorbeeld hebben een beroemd systeem van kreten. Als er een het geluid voor `adelaar!' maakt, schiet de hele troep in het dichtstbegroeide deel van een boom. Maar als een meerkat het geluid voor `luipaard!' maakt, gaan ze juist op de dunne uitstekende takjes zitten, waar de kat niet bij kan. Dit soort klanken zijn duidelijk referenties naar de werkelijkheid. Alleen symbolen hebben naast de reference ook sense: betekenis door de samenhang met andere symbolen, als deel van een betekenissysteem. Stoel verwijst aldus ook naar `tafel', naar het werkwoord `zitten', en naar welke associatie het verder ook maar bij iemand kan oproepen. Dit onderscheid tussen symbolen en verwijzingen is cruciaal voor Deacons hypothese over het ontstaan van taal. Het unieke van de menselijke taal is dat de woorden naar elkáár verwijzen, waardoor er een enorme rijkdom aan betekenis kan ontstaan. Uit alleen verwijzingen naar de werkelijkheid, zoals symbolen vaak worden opgevat, ontstaat geen taal. Louter verwijzingen leiden tot weinig meer dan conditioneringen: `als dit, dan dat'. Alleen symbolen, die ook onderling een verband hebben, kunnen leiden tot begrip. Deacon: ``Begrip is het inzicht in de relaties tussen de verschillende symbolen in een systeem. Als dat relatiesysteem overeenkomt met de relaties tussen objecten, kun je vrij makkelijk raden hoe nieuwe objecten in dat systeem zullen passen. Iedereen kent dat gevoel dat je ineens iets begrijpt. Een goed voorbeeld van dat proces is wiskunde. Eerst leer je op school allerlei regels toe te passen, zonder dat je ze begrijpt, een simpele conditionering in feite. En dan ineens heb je het begrepen, in een flits van inzicht begrijp je hoe allerlei geheel nieuwe sommen heel eenvoudig zijn op te lossen. Je hebt het systeem begrepen, dat er achter ligt. Het grote voordeel is dat je alleen nog de relaties tussen de symbolen hoeft te onthouden. De rest, al die verwijzingen naar de werkelijkheid die onder ieder symbool liggen, kun je dan vergeten. Dit soort hercodering en shifts naar een ander niveau zijn typisch activiteiten waarvoor je de prefrontale cortex voor gebruikt. Dat moment van begrip vinden mensen ook leuk: it feels good. Daarom zijn grappen ook zo leuk: ineens begrijp je het. We kijken altijd naar het systeem, dat zie je ook aan de uitwassen er van: de vele vormen van bijgeloof en de neiging om overal samenzweringen in te zien. En aan uit het hoofd leren heeft juist iedereen een hekel. We willen alles begrijpen, ons brein is daar op ingesteld. Bij dieren ligt het precies andersom, die kunnen de stap naar symbolisch denken niet zetten. Maar ze zijn uitstekend te conditioneren. Mensen hebben een prefrontale denkstijl: dingen in gedachten houden terwijl je alternatieven bekijkt. Je aandacht verdelen over de verschillende mogelijkheden, wèg van concrete objecten en fysieke arousal''. Er zijn wel dieren die na veel training symbolisch hebben leren denken. Deacon noemt bijvoorbeeld een oud apenexperiment van Sue Savage-Rumbaugh en Duane Rumbaugh uit de jaren zeventig. Met heel veel moeite werd twee chimpansees, Sherman en Austin, geleerd om de knoppen `geef' en `schenk' te combineren met de juiste voedselsoorten, respectievelijk banaan of appel en sap of cola. Simpele conditionering. Maar toen Sherman en Austin de twee-woord-zinnetjes eindelijk een paar dagen lang op de juiste manier konden produceren, zonder fouten (geef banaan, schenk sap, etc.), voegden de onderzoekers nieuwe voedselsoorten toe, met nieuwe knoppen. En toen bleken de chimps hun conditionering te hebben overstegen: ze voegden de nieuwe items vrijwel zonder vergissingen in het geleerde systeem: `Oh dit is vast voedsel en daar hoort `geven' bij.' ``Ze wisten iets dat ze niet geleerd hadden'', concludeert Deacon. De apen hadden geabstraheerd en zo het systeem begrepen, want anders zou ook voor de nieuwe knoppen weer een eindeloze conditioneringstraining nodig zijn geweest. Bij andere apen was die training inderdaad nodig. ``En je ziet meteen de voordelen van dat vermogen'', zegt Deacon, ``want als zich nieuwe dingen voordoen, hoef je niet alles opnieuw te leren, je schuift het gewoon in het systeem. Je kunt de precieze details gewoon weer vergeten. En het inzicht bleek ook toepasbaar op andere taken, zoals het verdelen van objecten over twee bakjes. Sherman en Austin leerden dat veel sneller dan apen die niet de knoppentraining onder de knie hadden gekregen.'' De symbolische aard van woorden is niet eenvoudig te begrijpen, omdat mensen juist sterk de neiging hebben hun woorden op te vatten als directe verwijzingen naar de werkelijkheid. De westerse filosofie worstelt niet voor niets al 2000 jaar met taal, aldus Deacon. ``De paradox is dat we dit meest gewone wat we doen, praten, voortdurend van de verkeerde kant bekijken: namelijk als referentie aan de werkelijkheid. Het woord `stoel' verwijst naar de èchte stoelen in de wereld, vinden we. Terwijl dat nu juist niet het onderscheidende element van symbolen is. Het woord `stoel' is veel meer. Het is wel begrijpelijk dat we naar woorden kijken met de vraag: wat is de correspondentie in de werkelijkheid? Want als mensen zich het symbolische systeem eenmaal eigen hebben gemaakt is het simpel, geen probleem! Het probleem in het dagelijks leven is juist de verwijzing naar de werkelijkheid, hebben we het wel over dezelfde stoelen? Kloppen de verwijzingen nog wel die onder de symbolen liggen? En dus letten we er niet op dat het unieke van woorden, symbolen, nu juist ligt in de onderlinge verwijzingen.'' De grammatica is volgens Deacon een stap die na de eerste symbolische `sprong' wordt gezet, ``om taal te kunnen automatiseren, om de ambiguïteit uit symbolen te halen.'' Grammatica is in feite een manier om symbolen te versimpelen, om ze min of meer machinaal te kunnen gebruiken. ``Het grote inzicht van Noam Chomsky was dat grammatica een algoritme is, een machine. In de hersenen is dat typisch een taak voor de basale ganglia, niet voor de prefrontale cortex. De basale ganglia zijn, als onderdeel van een veel groter systeem zoals altijd in de hersenen, ook verantwoordelijk voor de automatisering van bewegingen en andere lichamelijk skills die heel precies en telkens identiek moeten worden uitgevoerd. Die automatisering verlicht het werk van de frontale cortex, die de symbolische analyse uitvoert. In feite werkt de grammatica als een fundering van de symbolen, het benadrukt de indexicale kant van de woorden. 'Rode stoel' kan nog van alles zijn, maar `de rode stoel' is al weer heel specifieker en 'deze rode stoel' al helemaal. Grammatica maakt ook recursieve verwijzingen mogelijk. Ik kan zeggen: `het centrale idee van mijn boek The Symbolic Species'. Daarmee verwijs ik heel simpel naar uiterst complexe reeks woorden van bijna 500 bladzijden lang.'' taalmodule Chomskyaanse taalkundigen menen dat mensen grammatica kunnen leren en toepassen omdat zij een aangeboren taalmodule in hun brein bezitten. Daarom kunnen kinderen al zo jong zo snel taal leren. Voor Deacon is echter in feite het héle brein een taalmodule. De taal is helemaal aangepast aan de mogelijkheden van het brein en vice versa, dankzij de co-evolutie. Van een aparte taalmodule met de deep structure van de Choskyaanse grammatica is dan eigenlijk geen sprake meer. ``Kinderen leren talen gemakkelijk omdat de talen die niet door kinderen geleerd worden niet blijven voortbestaan.'' Maar waarom zou 2 miljoen jaar geleden een australopithecusgroep symbolen zijn gaan gebruiken? ``Wat is het nut van een simpele taal als die ontstaat?'', zegt Deacon. ``In ieder geval niet dat je kan begrijpen wat een ander mens van plan is. Want zelfs nu, met ons geavanceerde taalvermogen, kan ik nog altijd beter naar je gezichtsuitdrukking en je lichaamsuitdrukking kijken als ik wil weten of je me gunstig gezind bent of mij wilt aanvallen. Die verwijzen beter naar je gemoedstoestand dan wat je zegt. Het enige dat taal kan, en bijvoorbeeld vijfhonderd simpele verwijzende kreten niet, is verwijzen naar de toekomst en naar zaken die niet feitelijk en concreet zijn. Taal biedt abstractie. Dat lukt je nooit met losse kreten, al heb je er duizend. Daarvoor heb je een systeem van symbolen nodig.'' Maar waarom zou je dat nodig hebben? Deacon: ``Ik kan alleen maar een scenario geven, een verhaaltje hoe het zou kunnen zijn gegaan. Meer is het niet. Ik denk dat het te maken heeft gehad met vleeseten. De eerste stenen werktuigen zijn 2,5 miljoen jaar oud en waar anders dan voor vlees heb je die nodig? Gegeven het feit dat het levensgevaarlijk is om een kind mee te nemen op jacht, is het onvermijdelijk dat er toen een arbeidsverdeling ontstond. Vrouwen pasten op de kinderen en mannen zorgden voor het vlees. Het probleem is dan: `hoe de onderlinge competitie om de vrouwtjes te combineren met de gezamenlijke jacht?'. Ik denk dat bij een aantal groepen een egalitair systeem is ontstaan, waarbij de vrouwen werden verdeeld over de mannen, of andersom. Maar om die wankele situatie te laten voortbestaan was een soort `exclusieve reproductieovereenkomst' nodig (ik wil liever niet het woord huwelijk gebruiken) én een methode om deze onderling over te brengen, zodat iedereen elkaars overeenkomst respecteert en geen overspel speelt. Volgens mij is daar het eerste eenvoudige symbolische systeem ontstaan, want met alleen concrete verwijzingen kom je er dan niet meer. Je moet verwijzen naar gedrag in de toekomst. Het moet een ritueel zijn geweest, dat heel vaak herhaald is, een soort naspelen van de afspraak, als een soort spel. En dan is het ook mogelijk het systeem op andere situaties toe te passen, bijvoorbeeld tussen twee mannen die elkaar hulp en bijstand beloven. Zo gaat het langzaam verder, ook al komt er in het begin nog geen spraak aan te pas. De mens creëerde zo zijn eigen evolutionaire niche, waarin hij steeds afhankelijker werd van symbolisch denken. En dan kan de natuurlijke selectie snel werken.'' Terrence Deacon laatst bijgewerkt: 15-12-03 |